DE GROTE SOEFI ZWENDEL

©Peter ten Hoopen, 2011

De Hakim van Hazrat Inayat Khan

ER WAS EENS een Indiase zanger van geestelijke liederen die zo heilig werd dat hij zijn luit aan de wilgen hing en alleen nog als guru optrad. Hij ging naar het westen, al vroeg in de 20e eeuw, waar hij een beweging stichtte met een liturgie die hij met goed gevoel voor de tijdsgeest "Universele Eredienst" noemde. Hij veroverde de salons van New York, Berkeley, Parijs, Moskou, Genève en Den Haag, waar sensibele zielen uit de betere standen elkaar troffen in een sfeer van geestelijke verfijning en innerlijke rijkdom.

Met zijn elegante gewaden, lange haren, volle baard en kralensnoer, en die melodieuze, voor de zang getrainde stem, was hij perfect gecast voor de rol en hij werd een doorslaand succes. Hij huwde een Amerikaanse dame van goede komaf, en verwekte bij haar twee dochters en twee zonen. Na zijn dood versplinterde de door hem opgerichte beweging en verwerd geleidelijk tot een nieuw soort kerk - weer een georganiseerde religie erbij.

Zo zou het leven van Hazrat Inayat Khan kunnen worden samengevat, op de letter correct. Maar het cynisme wringt. Ik voel mijn gevoelens botsen terwijl ik deze regels schrijf en haat mijn eigen reserves, omdat ik eerst zoveel van hem hield. Misschien zou ik dat nog moeten doen, maar als ik aan Inayat Khan denk, wordt hij altijd verduisterd door de zware schaduw, haastend door de nacht, van een man die zich zijn aureool meende te moeten toeëigenen. Door die roof brak voor mij de betovering en doofde de glans. Woede stroomde mijn vredige, het liefdesgevoel koesterende ziel in als een tersluiks in de nectar gegoten gif.

Maar laat ik het niet meteen over Sheikh Fazal en kornuiten hebben, en eerst de man tot leven wekken die mijn inzicht in het Soefisme naar een hoger plan trok, door onomwonden te spreken over het traditioneel als inwijdingsgeheim gekoesterde leerstuk dat de liefde de ware aard is van het goddelijke. Dat we in de liefde het goddelijke ervaren, direct en aan den lijve - iets waarvoor geen priesters, moellahs of dominees nodig zijn.

Vanwege dit vrijdenken was het Soefisme door de eeuwen heen vaak genoodzaakt om in het verborgene te opereren. Maar Inayat Khan ging naar het Westen en kon zeggen wat hij wilde. Waar de oude Soefi dichters zo verhuld over de liefde voor God spraken dat het als eenvoudige, zij het wat emotionele vroomheid kon worden uitgelegd, sprak Inayat Khan onverbloemd van de uitzinnige liefdeservaring, de vredige extase, de mystieke beleving die het wezen van het Soefisme uitmaakt.

Inayat Khan deed dit bovendien in gemakkelijk aansprekende, poëtische taal die nu, bijna een eeuw later, nog zuiver van toon klinkt - zolang je maar niet op de achtergrond de heerszuchtige stem van kleinzoon Fazal hoort. Laat staan die van een adellijke calypsozanger uit Londen met wie - maar nee, weg met die bijgedachten. Geen aandacht nu voor die schimmen in de nacht, maar alleen voor het Licht.

Inayat Khan werd geboren in 1882, als kleinzoon van Maula Baksh, een beroemde Mohammedaanse musicus aan het hof van Baroda van nobele komaf, wiens huis een ontmoetingsplaats was voor musici, dichters en andere mystici. Inayat bewandelde het klassieke pad langs leraren van opklimmend niveau en kreeg van zijn laatste en grootste meester als taak om het innerlijke licht van het Soefisme in het Westen te doen schijnen. Hij trok in 1910 naar Amerika en later Europa, en ontmoette aan de universiteiten en in de concertzalen de intellectuele en culturele elite; daaronder ook spirituele zoekers, veelal welstandig, en Westerse guru"s als Tolstoi met wie hij goed bevriend raakte. Inayat Khan had in zijn verschijning wel iets van een Indiase Tolstoi, maar was qua afkomst en training veel beter geschikt voor de rol van leermeester.

Hij huwde een Amerikaanse dame van stand - onterfd, maar rijk aan connecties - en vestigde zich met haar in een villa te Suresnes bij Parijs. Hij gaf daar "Summer Schools" voor volgelingen, soms ook in Lausanne en Katwijk. Veel van zijn lezingen zijn gebundeld, in boeken als Cosmic Language; ze tonen een man van grote intelligentie en wijsheid die een boodschap bracht van eenheid in liefde voor de ene, universele God. Het oecumenische karakter van zijn leer sprak veel gelijkdenkende Christenen aan en gaf hun gevoelen een worteling in de oude mystieke traditie van het Midden-Oosten en India.

Tijdens zijn eerste reis terug naar India, begonnen in 1926, overleed Hazrat Inayat Khan in 1927 te Delhi aan de griep, nog geen 45 jaar oud. Hij werd naar eigen wens begraven in de schaduw van het mausoleum van Quaja Nizamuddin-Aulia, een Soefi heilige die leefde van 1238 tot 1325.

Na het heengaan van de "Pir-o-Murshid", de in India volstrekt onbekende Leraar der Leraren, groeide de beweging in het Westen krachtig door. Er kwamen tal van mensen van naam aan boord. In Nederland onder andere Minister Witteveen (onverdacht, want van financiën), in Londen de Nederlandse Baron Frederick Van Pallandt, de mannelijke helft van het zingende duo Nina en Frederick dat in de jaren zestig wereldhits had met calypsoliedjes. Van Pallandt kwam al snel zo hoog in de rangorde dat hij als "Amir Nawaz Van Pallandt" ("Heer Beschermer") door het leven kon, wat natuurlijk veel hoger is dan baron. Hij had in de Soefi beweging dan ook een glorieuze tijd, omgeven door paladijnen die hem steunden in het mediteren, vasten en bidden, wat door het vele reizen noodgedwongen meestal in luxe hotels moest worden verricht.

Maar hij zou zijn leven minder glorierijk eindigen, aan het bloedige eind van de rode draad die door zijn leven liep. Een draad geweven van showmanship, high living, en chronisch tekort aan miljoenen. Hij werd in 1994 in zijn villa in de Philippijnen vermoord door een professionele hitman; "om nooit opgehelderde redenen", maar volgens de notoire hasjsmokkelaar Howard Marks, auteur van de autobiografie Mr. Nice, vrijwel zeker bij wijze van afrekening door een Australische mafiagroep voor wie de baron, pardon Amir Nawaz, in zijn 23 m smokkeljacht enige tonnen Thaise marihuana had vervoerd. Van Pallandt dringt zich dit verhaal in als de genius (althans cogenius) achter een poging tot paleisrevolutie in de Westerse Sufibeweging, die zich voltrok voor mijn ogen - dewelke daarbij wijd opengingen.

Hazrat Inayat Khan had op zijn sterfbed zijn zoon Vilayat tot geestelijk opvolger benoemd. Maar omdat die pas tien was werd de rol tijdelijk vervuld door Inayat Khan"s brave, maar als heilige niet helemaal voldragen broer. Toen deze ook stierf meenden velen dat nu de mantel, naar vaders wens, zou vallen op de schouders van Vilayat, een door en door Westerse, maar met het heiligdom vertrouwde jongeman.

Een andere groep, de Londense club onder aanvoering van Van Pallandt, vond dat een kleinzoon het moest worden, een zekere Fazal Inayat Khan die in Californië voor Dow Chemical werkte en daar (kwalificatie van de tegenpartij) "in een Mustang achter de wijven aanreed". Zo op het oog een minder dan ideale kandidaat, maar hij was intelligent genoeg om, daar was men in Londen van overtuigd, met enige hulp uit het hoofdkwartier in korte tijd tot Sheikh der Soefi"s omgeschoold kon worden.

 

Dit was het stadium der ontwikkelingen waarin ik de beweging leerde kennen. Toen Ewald Vanvugt en ik in 1969 naar Delhi kwam waren beide groepen daar vertegenwoordigd, maar mijn eerste contacten waren met het Vilayat kamp, de Soefi Beweging. Het graf werd beheerd door hun hoofdkwartier, dat er ook voor had betaald. Een Nederlandse vertaalster en schrijfster, L. Hayat Bouman, was in Delhi geposteerd als hakim, sleutelbewaarder. Op een heel mager salarisje, waar ze de katten amper van te eten kon geven. Ze sprak rad en vaak vinnig Hindi, met een Rotterdams accent; vermoedelijk Zuid-Rotterdams, zo sterk was het. Ze zorgde dat er rond het graf regelmatig geveegd werd, dat er bloemen stonden en er een groene zijden chadur over lag, schoon en gestreken.

Hayat was voor ons jongemannen, die bij haar in de flat in Nizamuddin logeerden, als een lieve tante. Later, toen we wat vaker kwamen, daar in die nieuwbouwwijk rond het ooit afgelegen mausoleum, zaten we bij haar in pension. Kamer met ontbijt van thee en zelfgebakken koek. Surrealistisch Nederlands, daar op dat moderne bovenhuis, aan een schoon ogend bomenlaantje, met voortuintjes en gesnoeide hagen. Alleen waren alle huizen wit en stond onder een plataan een man aan een handkar met een houtskoolijzer te strijken. Mijn nette witte broek misschien, of het colbertje van de buurman, een middelhoge ambtenaar.

Hayat had Hazrat Inayat Khan zelf nog ontmoet, en kende zijn levensgeschiedenis tot in het kleinste detail. Ze hield zielsveel van de grote meester. Heel haar leven was hem toegewijd; hem en de katten. Ze had een tere, sensitieve aard en zette zich gedreven in om de armen van de buurt te helpen, maar stelde aan het Indiase personeel dezelfde eisen die ze in Rotterdam zou hebben gesteld, waardoor ze met alle dienstverleners op gespannen voet stond. Elke dag werd er een wasman, hegknipper, werkster of schilder uitgefoeterd - hetzij als hakim of uit eigen hoofde. Haar tirades tegen en het geklaag over deze arme lieden had iets komisch onheiligs. En tegelijk iets bevrijdends. Geheel opgegaan in het zalige, maar toch mens gebleven, da"s mooi.

De dankbaarheid voor Hayat is groot, omdat haar huis voor ons open stond, een schoon, veilig huis in deze soms slopende stad van modern leven, zelfbewuste onafhankelijkheid en hoop, maar ook van armoede, ziekte en verkommering. Na een jaar reizen door het Midden-Oosten en de Himalaya hadden we voor het eerst een zo zeker aanvoelend adres.

We waren ook niet uit puur toeval bij deze sleutelbewaarster aangekomen. De leer van Hazrat Inayat Khan verwoordde ons eigen bevinden, dat er één universele kracht is die ons bindt, en dat wij die ervaren in de liefde. Andere leraren en profeten hebben hetzelfde gezegd met andere woorden, maar Inayt Khan"s woorden horen bij de mooiere. Uit de Gayan: "Het ware geluk wordt gevonden in de stroom van liefde, die in de ziel van de mens ontspringt."

Dit gele boekje, zijn evangelie samengevat in spreuken, is tevens een praktische gids voor het geestelijk leven. Waar de aandacht op te richten, hoe je te hoeden voor afleiding. Hoe ijdelheid, de krachtigste menselijke drijfveer, ten goede te keren. En hoe het bestaan aan Gods hand te bezingen:"Gij, zaad van de booms mijns levens, Gij waart zo lang verborgen in mijn ziel, die was als een knop; maar nu zijt Gij te voorschijn gekomen, vrucht van mijn leven, na de bloeitijd van mijn hart."

Veel vruchten zag ik bij mezelf nog niet, maar "de bloeitijd van mijn hart", daarin herkende ik me. De aandacht werd stelselmatig op het hogere gericht, en we begaven ons zoveel mogelijk naar plekken waar het enigszins te doen was om liefde voor al je medemensen te voelen. Naar de drukte van Connaught Circle dus alleen om reischeques te wisselen op de zwarte markt. (Meteen ook voor Hayat, want wij onderhandelden een betere koers.) Naar het gewalm en gedaver van busstations zo weinig mogelijk. Naar overheidskantoren alleen in grootste administratieve nood.

Vaker gingen we naar de graven van Humayun of de Lodi"s, paleisachtige mausolea op loopafstand van Nizamuddin, met ommuurde parken en paviljoenen waar nooit een mens kwam, alleen wat schoolmeisjes en studenten, verliefde paartjes, een enkele dichter; te weinig volk om bedelaars aan te trekken. Rust en stilte in een paradijslijke omgeving - voor de Moghul keizers moet het Soefisme zeer inspirerend zijn geweest. Maar ook Nizamuddin-Aulia zelf, de dargah van de grote meester op tweehonderd meter van Hayat"s huis, was zo"n plek waar men liefdevol met elkaar omging, al was de sfeer daar heel anders.

De Dargah Sharif, het "Nobele Graf", was een wit gekalkt complex met een moskee, diverse bidruimtes, de marmeren graftombes van Nizamuddin-Aulia, andere Soefi heiligen, en heiligen in wording die goed hadden gezeten bij het bestuur. Er was altijd volk, want het mausoleum, ooit buiten de stad neergezet, lag nu midden tussen Hayat"s wijk en een basti, een landelijk wijkje van lemen huizen. De dargah had een binnenvijver zo groot als een sportfondsenbad vol goor maar zeer krachtig water waar al heel wat wonderen hadden plaatsgevonden. Je struikelde er over de lammen en blinden.

Bovendien was Nizamuddin-Aulia een pelgrimsoord voor Soefi"s, dus je zag er altijd mensen van ver die verzaligd door de ruimtes doolden - eindelijk aangekomen bij het graf van de grote leermeester die hun leven bezielde. Diepe emoties welden vaak op bij deze mensen. Vrouwen wierpen zich jammerend tegen het marmer, mannen knielden ervoor neer in gebed en prevelden hun diepste verlangens, anderen zongen gedichten of deden een met kreten versterkte meditatie die hen opvoerde tot een hemelse extase.

Vrijdagavonds kwam er een groep bijeen voor de zikr, meestal een man of twintig, dertig. Soms een paar vrouwen, aan de rand. Er werden korte teksten gescandeerd, meestal uitlopend in alleen de herhaling van God"s naam, "Allah, Allah, Allah..." Steeds sneller, ademlozer, steeds verder opstijgend langs die draad die naar de hemel werd gesponnen. "Allahallahallahallah..." Door verspringende klemtoon trad er een wisselend ritmisch patroon op, waar soms opeens een oude man een kruisend ritme doorheen aanzette dat het tempo even drastisch vertraagde, om dan de werveling omhoog met nog meer geconcentreerde kracht te hernieuwen. Reculer pour mieux crier.

Luidkeels zaten we te schreeuwen, daar in die tempel, soms uren aan een stuk, tot er een gedeelde uitzinnigheid was opgetreden waarin het verstand was uitgeschakeld en er tussen het menselijke en het goddelijke geen onderscheid meer was. Het was niet zo dat je het goddelijke deelachtig werd, eerder zo dat je bewustzijn van die deelachtigheid versterkt raakte doordat al het andere werd buitengesloten.

Zo herleefde hier in Nizamuddin, die buitenwijk van New-Delhi, mijn in Irak, Iran en Pakistan gekneusde liefde voor de Islam. Hier vonden we voor het eerst de mystieke tak levend en bloeiend. Niet weggemoffeld of verstoft, maar ingebed in een volkswijk en in een landelijk netwerk van bedevaartsplaatsen waar grote jaarfeesten werden gehouden.

Daarbij vergeleken lag de dargah van Pir-o-Murshid ("Leraar der Leraren") Hazrat Inayat Khan er doods bij. Een eindje buiten het tempelcomplex, aan een laantje in de basti. Gewoon een bouwperceeltje tussen de huizen, afgesloten met een manshoog muurtje en een met een hangslot vergrendelde hardhouten deur. Een fraai geschilderd bord: "Dargah Sharif van Hazrat Inayat Khan. Spiritueel opvolger Pir Vilayat Khan. Voor sleutel kunt u zich wenden tot de Hakim, mevrouw L. Hayat Bouman, Nizamuddin Flat B-12."

Hayat nam ons er een paar keer mee naar toe. De Dargah Sharif zelf bleek een eenvoudig koepeltje omgeven door een bakstenen muurtje, de verhoogde zerk was afgedekt met een groene doek die door het vele borduurwerk aan een sprei deed denken. Het graf deed me niet veel. Misschien omdat er zo weinig zielen rondhingen, daar achter die hardhouten poort. Zelfs Inayat Khan zelf kwam er volgens mij alleen bij vlagen.

"Waarom kan die poort niet gewoon open?" vroeg ik. Andere dargahs en moskeeën en gewone begraafplaatsen zijn toch ook allemaal open?"

"Nee, dat hebben we gehad, in het eerst; en dan lieten die Hindoes uit de basti er hun koeien rondscharrelen en dan kon ik steeds de drek van het graf komen vegen. Ja ik ben gek, daar ga ik bij m"n gezond niet mee door." Ze verschikte de shadour over het graf, streek er een plooi uit.

"Maar Hayat, dat hoeft toch ook niet? Er liggen overal heiligen waar de honden tegenaan pissen; maar op andere momenten spelen er kinderen op, of zit er een oudje te rusten tijdens een wandeling naar de winkel - dan zijn ze toch meer onder de mensen."

"Ach onder de mensen!" Ze keek me fel aan: "Nou als je het graf beslist open wilt dan leen ik je een emmer en bezem en dan ga jij hier morgen maar zitten."

Door dit soort gesprekken, en door dat afgeslotene van die deuren en sloten, had de plek eigenlijk iets heel Christelijks. Net of Hazrat Inayat Khan het avondland bij zich had gehad en hier had achtergelaten. Heiligheid in isolatie. Meldt u bij de koster.

 

Hierbij had het verhaal kunnen blijven (een weinig dramatisch relaas over een weinig bezocht graf van een in India onbekende heilige) als er niet die concurrerende kandidaat-heilige in Delhi rondwaarde, die Sheikh Fazal uit Californië. Maar voor we zijn vers bebaarde en in gewaden gehulde gedaante tot de tempel toelaten, eerst even terug naar de middeleeuwen.

 

 

De Kookpotten van de Gharib Nawaz

HET HEILIGE FEEST is voor de Indiër een kernbestanddeel van het leven. Of misschien niet zozeer het feest zelf, maar de tocht erheen, de bedevaart. Mensen reizen honderden, soms duizenden kilometers om een paar dagen op een geheiligde plek samen te zijn. De Hindoes hebben hun Khumba Mela"s en tal van andere mela"s, de Soefi"s (en veel gewone Muslims die van feesten houden) hebben hun Oerzen, gewijde feesten rond de graven van hun heiligen. Eraan deel te hebben is een levend wonder. Zelfs al zou je er filosofisch niets mee hebben, dan nog blijven het aangrijpende massabijeenkomsten, overweldigend door hun graad van bezieling.

Voor de Soefi"s is de Oers van Ajmir veruit de belangrijkste, vertelde Hayat. Bij de Dargah Sharif van Quaja Moinuddin Chisti. "Hij wordt toevallig over een paar weken gehouden. Zes dagen lang, de periode dat hij op sterven lag. Je zou er kunnen langsgaan bij de Nawab Sahib, de oude vorst van Ajmir, die doet veel goed voor ons."

"Zoals?"

Hij aanvaardt Hazrat Inayat Khan als een heilige in de Chisti traditie. Dat is heel belangrijk, die worteling in de orde."

Ik blies op mijn thee en keek haar over het kopje heen aan: "Waarom is dat zo belangrijk Hayat?"

"Ja dat houdt een erkenning in, toch?"

"Maar wat doet dat er toe? Het gaat er toch gewoon om wat hij uitdraagt? Jezus had toch ook geen erkenning door de Joden nodig?"

"Nee, het is essentieel die lijn naar de traditie te leggen. Zijn wijsheid komt immers niet uit de lucht vallen? En omdat hij India verliet, zoveel jaren wegbleef... Bijna niemand hier kende Inayat Khan meer, wist waar hij vandaan kwam. Maar zelf heeft Pir-o-Murshid zich altijd een Chisti gevoeld, en het is belangrijk dat hij zo gezien wordt, als een heilige in de traditie van Moinuddin, Saladin, Nizamuddin..."

Dan, met een verachtelijk ophalen van de scherpe neus: "Maar dat kan nog wel even duren, want hier in India vinden ze hem veel te vrijzinnig. Daar zijn ze bang voor natuurlijk, dat begrijp je, al die verstofte en verambtelijke baasjes in de orde. Maar de Nawab van Ajmir in een der onzen, ga hem zeker bezoeken, en betuig hem mijn respect."

 

Op het station in Ajmir stonden ze weer klaar met de spuit, de medische troepen, wachtend op het pelgrimsvee. Gelukkig waren we nu goed voorbereid, vaccinatieboekjes in de aanslag. Snel drongen we ons naar de uitgang, de leren expeditiekoffers op de rug, en werden meteen meegesleurd in de stroom richting centrum. We doken een portiek in om krijgsraad te houden. Wat deden we eerst: een logement zoeken, of Hayat"s vriend de Nawab Sahib? Misschien kon hij onderdak voor ons regelen?

Vanuit de luwte keken we om. De mensen puilden uit het station alsof het gebouw in een grote hand werd fijngeknepen. Al die mannen en vrouwen en kinderen bewogen zich in dezelfde richting, één in doel en stemming. Men gedroeg zich uiterlijk rustig, met alle waardigheid die past bij het vervullen van een heilige taak, maar onder dat bedevaartskleed van rust en ingetogenheid was de opwinding, de spanning te voelen - zo nabij was het doel van de pelgrimage!

Aangestoken door het vuur van de massa besloten we om eerst naar de Dargah Sharif te gaan - heiligheid gaat boven veiligheid. Aan het eind van de hoofdstraat, Dargah Bazaar, stond een torenhoge, tussen minaretten gevatte poort, de hoofdingang van het tempelcomplex rond het graf van Quaja Moinuddin Chisti. (Geboren nabij Mosul in Irak 1135 - gestorven 1229 hier in Ajmir.) Gelovigen uit de streek kwamen hier ieder jaar, maar er waren ook duizenden, tienduizenden die dagen hadden moeten reizen. Voor hen gold de Oers van Ajmir als een vervanging van de Haj naar het onbereikbaar verre Mekka, een van de grootste evenementen in hun leven. Het was onmogelijk hierdoor niet geraakt te worden. Ik had het gevoel dat ik zweefde, gedragen door de gewijde aandacht, het intense verlangen naar het hogere.

Steeds dacht ik aan een verhaal uit de kinderbijbel die we vroeger thuis lazen. Jezus" eerste voetreis met vader en moeder naar de tempel in Jeruzalem, opgenomen in de brede stroom pelgrims. Ik voelde me weer net zo zuiver en vol verlangen als toen als jongetje bij die voorlezing. De nabijheid van God doorstraalde me en alles wat ik zag leek te baden in een warm gouden licht. Dat was natuurlijk ook zo, want het was al laat in de middag.

We liepen even wat zijstraten in op zoek naar een plek om te wateren. Steil klimmende zijstraten met alsmaar meer huizen. Maar opeens kwamen we op een kale, rotsige heuvel, overdekt met stoffige, geïmproviseerde tenten. Daartussen lagen hier en daar mensen op de stenige grond te slapen. Het uitzicht, met de tempel in de diepte, daaromheen de zandkleurige en witte stad, de stadsmuren en de omringende woestijn, versterkte het gevoel die bedevaart van Jezus mee te beleven.

Overal, op elke horizontale plek kampeerden mensen; hier op de heuvel natuurlijk, maar ook op de markten en begraafplaatsen, tot zelfs op de platte lemen daken van de huizen. Vooral die tenten op de daken, de meeste niet meer dan wat stokken en lappen, gaven sterk het gevoel van een uitzonderingstoestand. Een stad overstroomd met mensen, vluchtelingen naar God, die allen ergens onderdak moesten hebben. Zo geen dak boven het hoofd dan toch een dak onder de voeten.

Hoe geleefd werd in die huizen, met tientallen extra bewoners die alle trappen op en af moesten, moesten koken en baden - het was duidelijk dat dit alleen kon als de mensen uitzonderlijk liefdevol met elkaar omgingen. "Zo was het natuurlijk destijd ook in Jerusalem," zei ik tegen Ewald, die als katholiek misdienaartje van het Nieuwe Testament niet veel gehoord had. "Op een heuvel als deze heeft het jongetje Jezus met de wijzen zitten praten. Geïnspireerd door de geest van de bedevaart..."

"Met warme gevoelens vervuld door de aanblik van al die harmonieus met elkaar verkerende mensen..."

"Het is heel inleefbaar," zei ik peinzend.

"Als je je geroepen voelt, de wereld is toe aan een nieuwe profeet."

"Absoluut, maar ik heb zo weinig baardgroei."

Uit de bazaar onder ons, een grillig patroon van straten en stegen, wervelden etensgeuren omhoog en de scherpe lucht van aangeblazen houtskoolvuurtjes. Opeens beseften we dat we niets meer gegeten hadden sinds het ontbijt op de trein. We liepen snel terug de heuvel af, neerwaarts geholpen door het gewicht van onze tassen. Net buiten de poort vonden we een eethuis waar in razend tempo metalen plateaus met voedsel werden geserveerd.

We schrokten ons vol met rijst en groenten en taai schapenvlees, dronken thee (gekookt dus veilig) en kochten een stapelje chappati"s om uit te delen aan de vele bedelaars die langs het open etablissement schuifelden. Het leek iets op het uitdelen van roepiebiljetten uit zo"n met nieten bijeengehouden pak. Kreupel, blind of weduwe, wat de klacht of klaagzang ook was - huppekee chappati. Toch voelde het als gebaar rijker aan dan het weggeven van flappen, meer in de geest van Moinuddin, liefhebbend aangeduid als Gharib Nawaz, "Beschermer der Armen".

We vroegen de uitbater of we onze tassen bij hem konden stallen. In dit soort omstandigheden gingen we strikt op de man af. Was het iemand voor wie betrouwbaarheid een erezaak betrof? Een schurk die je te grazen zou nemen als hij dacht dat het straffeloos kon? Of een gladakker die trouw of bedrog liet af hangen van de gelegenheid? Het was van levensbelang in deze inschatting geen fouten te maken. Gelukkig deden we dat nog maar zelden. De gedwongen karakterstudie door de jaren van reizen had ons een mensenkennis bezorgd die zo jong moeilijk op andere wijze te verkrijgen was geweest.

Persoonlijk zag de restaurateur erop toe hoe we het degelijk Nederlandse leerwerk tussen de balen meel en rijst in zijn voorraadkamer zeulden. Muslims zitten niet met leer en voedsel in één ruimte. De eetbaas klikte het enorme hangslot dicht, sloot het met de handgevijlde sleutel die aan een touwtje om zijn nek hing, en borg dat kleinood veilig weg onder zijn met schapenvet en groentencurry gekleurde onderhemd.

 

Opgelucht en vervuld van nieuwe levenskrachten stapten we door de poort de Dargah Sharif in. Zodra we binnen de muren kwamen ontwaarden we een ritueel zoals nergens in de Bijbel beschreven, maar onmiskenbaar Oud-Testamentisch. Iets uit de tijd van Jozef of Nebukadnezar. Er stonden twee stompe ronde torens, zo"n vier meter hoog waar zich dichte drommen mensen om verdrongen. Vooral bij de grootste was het een gaan en komen. Sommigen stonden er bovenop of klauterden over smalle stenen trapjes omhoog. In een opening aan de onderkant werd door van zweet glinsterende mannen een laaiend vuur onderhouden.

Opeens zagen we dat alle mensen eten in hun handen hadden - bakjes van teakbladeren met een kwak dikke, gelige brei. We klommen snel op een muurtje en zagen van bovenaf hoe de grootste eetpotten ter wereld functioneerden. In steen gevatte stalen kuipen met een doorsnee van twee, respectievelijk drie meter en exact zo diep, gevuld met die dikke gelige brei. Vooral bij de grootste kookpot (met ruim vier ton eten) was het heel druk. Op de rand, zwart van met de voeten platgetrapte klodders, stonden gespierde mannen met enorme lepels, meterslang. Het roeren ging zo zwaar dat het blad door drie anderen, perfect samenwerkend, met touwen door de smurrie moest worden gesleurd. Een gevaarlijk baantje, want wie in de stomende brei zou vallen was niet te redden. Het werd door de jonge mannen met heilig vuur gedaan. Maar misschien was het gewoon bravoure.

Een voortdurende stroom van pelgrims kwam de smalle trapjes van de kookpotten op om persoonlijk een zakje met meel, suiker, rozijnen, rijst, kruiden, linzen, cocos, saffraan of onduidelijke delicatessen in de kuipen te storten. Helpers stonden klaar om hen die minder goed ter been waren van hun gaven te ontlasten en deze uit hun naam in de pot te storten. De hele mikmak werd door elkaar en met elkaar gekookt. Nu en dan kwakten de koks er een tiental emmers water doorheen.Aan een put tussen de graven stond een ploegje jongens in wisseldienst te plonzen.

De uitdelers van het heerlijks stonden niet op de goorzwarte rand, maar zaten erop gehurkt, kwakjes brei over de tenen, een houten scheplepel in de hand voor het vullen van uit de diepte aangereikte bladenbakjes. Uit de afnemerschaar bleek meteen hoe heilig het eten was, want het waren lang niet alleen bedelaars, arme boertjes en verstoten vrouwen die zich verdrongen om van de prut te smullen, ook goedgeklede dames en heren lieten zich een bakje aanrijken en aten met genoegen. Khir, "pudding" noemde een omstander het. De meesten leken het echt lekker te vinden; of ze straalden zo vanwege het goede gevoel om eten met zovelen te delen. Een enkele chique dame wendde het genoegen voor. Maar je had ook dames, vooral wat dikkere, die het voorwenden speelden en er met al hun snobisme stiekem van smulden.

Ach, God heeft rare kostgangers. En omdat wij voor die anderen niet wilden onderdoen kochten we wat zakjes rijst en suiker en een paar blikken melkpoeder en bestegen het trapje van de grootste kookkuip, de Bigger Deg. Waarderende kreten van de roerders waren ons loon. Even trokken we ook wat aan de touwen, maar we maakten niet veel klaar in die zware blubber en het was akelig link daar op die glibberige potrand. Snel haakten we weer af en lieten de vaste ploeg doorgaan met hun verheffende arbeid. Het spirituele pad vereist moed, maar bovenal zelfbehoud. Niemand wordt wijzer van een verlichte die in de pap valt.

Bovendien, wat is heiliger, de brei helpen maken of ervan eten? Aan het eerste hadden wij nu onze bijdrage geleverd, maar het tweede leek grotere zelfopoffering te eisen. Het rook niet echt vies, een beetje weeïg. Maar de lukrake vermenging van hartige en zoetige ingrediënten, peulvruchten, granen, wortelen en chocoladerepen had iets stuitends. Bij de bereiding werden tal van hygiënische grondregels met de voeten getreden, zij het blote voeten. Toch begrepen we: door hier niet aan deel te nemen sloten we ons af voor de gevoelswereld van de Beschermer der Armen die hier in de 12e eeuw al dit soort langars aanrichte, en ontrokken we ons aan de innerlijke pelgrimage.

"Wat denk je," vroeg Ewald, "zullen we een hap nemen?"

"We hebben net gegeten."

"Een klein beetje, als toetje? Of is het je te min?"

"Wie zich boven het volk stelt, stelt zich boven God," sprak ik zalvend, onderwijl nog zoekend naar een uitvlucht.Besmetting? Misschien was alles niet door en door gekookt?

"Toen keizer Akbar hier kwam sloot hij ook aan in de rij en nam zijn hap als iedereen."

"Nou vooruit dan, een klein bakje."

Maar in kleine bakjes deed men niet. De man die onze bladbouwseltjes vulde gaf me nog wat extra omdat hij mijn dringende verzoek om weinig ("Bahut kaam!") opvatte als bescheidenheid die beloond moest worden. We aten met de handen, althans dat probeerden we, maar de hap was loeiheet en deed zeer aan de vingers. Niet goed om in te vallen, beseften we nogmaals. We wachtten even, probeerden het opnieuw.

"Ja, best wel lekker, toch?" monterden we elkaar op, maar na een paar happen hadden we toch genoeg genoten. Ook de heiligheid proefde ik er niet sterk in. Prachtig hoor, dat deelhebben aan de gemeenschap, het liefdevolle geven en nemen, maar kon dat niet met verfijndere middelen? Een echte khir bijvoorbeeld, met edele ghee en geraspte amandelen, naar de regels der kunst gegarneerd met pistaches en versuikerd bladzilver? Zoniet, dan hoopte ik me nog lang tot het schenken te kunnen beperken, volgens de wijzen op zich al zaliger dan ontvangen.

 

We gaven onze nog amper aangeroerde bakjes door aan een paar vers aangekomen pelgrims, voor wie wij moeten zijn overgekomen als door de organisatie aangestelde uitdelers. Wij verrichtten deze daad van valse liefdadigheid met vrome plechtigheid, wat de acceptatie bevorderde. Ik kreeg zin in een chocoladereep. Zoals het half dozijn Indiase Cadbury"s Fruitnut die ik net in de kookpotten had zien verdwijnen.

"Laten we nu naar Moinuddin gaan," stelde Ewald voor. Zo zeiden ze dat in India, alsof de man nog leefde.

"Of eerst naar de Nawaaps Aap?" De verbastering was er de laatste dagen ingeslopen. Een imitatie van Hayat"s uitspraak, die ik maar niet kwijt kon raken. "Misschien kan hij ons helpen met onderdak."

"Geestelijk onderdak, is dat niet veel belangrijker? Desnoods crashen we vannacht hier ergens." Ewald gebaarde achteloos naar de omringende graven waartussen her en der mensen lagen te rusten.

Het was een stille afspraak dat we altijd ingingen op elkaars verheffende ideeën, een vorm van geestelijke hygiëne waar je op de innerlijke pelgrimage niet buiten kunt. Als je in het volle leven staat ontvang je de hele dag signalen die je naar beneden drukken, dus op die paar die je naar een hoger plan tillen moet je absoluut ingaan, anders zak je in de prut - in de khir zeg maar.

Schuifelend drongen we ons naar de stroom die de tempel inging, een binnenhof over met marmeren paviljoens en tientallen graven van vergeten Soefi"s. Uit de richting van een van de grotere paviljoens, bekroond met een koepel, schalde keiharde Qawwali, die opzwepende, de ziel naar de hemel geselende zang van de Soefi"s; voor de Muslims van India en Pakistan een amalgaam van popmuziek en kerkzang. Vroom maar opwindend, typisch een bijdrage aan de Islam van de Sufi"s, voor wie de goddelijke extase de hoogste staat is. Bijna blind trok ik er naartoe. Beelden kunnen je raken, je informeren, maar muziek dringt door tot in de vezels.

Qawwali wordt meestal gebracht door groepen van zangers, vaak een stel broers, met begeleiding op harmonium en pakhawaj of dhol, de klassieke dubbelzijdige trommels, soms ook shahnai, roubab of sarangi. De zang gaat vaak in een dialoogvorm, met snelle wisselingen, lange strengen van door elkaar gevlochten tekst. Eerste zanger: "Oh Geliefde, ik ben je slaaf! Ik kan aan niemand dan Jou meer denken!" In koor: "Oh Geliefde, ik ben je slaaf!" Tweede zanger: "Dag en nacht voel ik de gesel van verlangen. Ik schreeuw van pijn, maar verlang alleen naar meer!" Koor: "Ik verlang alleen naar meer!

Toen we naderbij kwamen bleek dat het paviljoen de Dargah Shariff was, de laatste rustplaats van de Gharib Nawaz, die uit Irak naar India kwam als een ambassadeur van de liefde en vrede onder de mensen. "O Quaja, hoe kan ik u dienen, hoe me u waardig betonen meester?" "Door elke dag iets goeds voor een ander te doen." Voor het Islamitische deel van India is Quaja Moinuddin Chisti de grootste spiritueel leider. Minder fervent vereerd dan Mohammed, die profeet met het zwaard, maar aanzienlijk meer geliefd.

Ik zag in de Gharib Nawaz, de Beschermer der Armen, een reïncarnatie van Jezus. Dat zijn leer, naar het Westen gebracht door Hazrat Inayat Khan, aldaar aansloeg, kwam misschien wel door die gelijkenis. Hij predikte moreel zuiver gedrag, ontzag voor alle wezens, liefde voor de naaste als leidraad voor het leven. De Chisti Orde is dan ook te schilderen als een verfijning van de Islam - gebaseerd op een mystieke beleving van het goddelijke die ouder is dan de leer van Mohammed, en deze op veel punten overstijgt. Voor alle doorsnee Muslims en zelfs de meerderheid der Soefi"s is dit een ketterse visie, maar deze meerderheid vormt wellicht niet de eeuwenoude kern.

Waar Mohammed het monotheïsme vertegenwoordigde, met de gestrenge maar rechtvaardige Mozaïsche god, dezelfde als Jaweh, maar Allah genoemd, spraken Jezus en Moinuddin en alle latere Chisti"s vooral van de Liefde. Dacht Mohammed aan bekeren, dan dacht Moinuddin aan voeden. Hier zag ik een Islam waar ik mee leven kon, heel graag zelfs. Ik ervoer hier bij zijn dargah een stemming die alle religie overstijgt, een wonderlijk gevoel dat licht maakt in het hoofd en -

Die paar hapjes heilige brei begonnen toch door te werken. Het in liefde delen van voedsel heeft worteling in een oertijd zo oud dat er nog geen godsdienst zelfs was. Priesters en consorten doen er goed aan dit wel te bedenken: eerst kwam de liefde, toen pas de profeten en predikers. Maar het enige dat we echt nodig hebben is het eerste, de rest is afleiding en verwarring, geldingsdrang en oorlog. En zakkenvullerij natuurlijk: net als in Irak en Iran werden we ook hier meteen bij het betreden van het heiligdom bij de arm genomen door mannen in belangrijke mantels en hoge mutsen die zich als X. voorstelden, afstammeling van -

"Good afternoon, my name is Chisti. Ik ben uw gids tot de Dargah Shariff van mijn grote voorvader en zal u graag rondleiden. Voor u speciale prijs meneer, twintig roepies."

"Godverdomme," zei ik, "krijgen we dat nou wéér?!"

De man deindsde achteruit -wat hem geraden was, want in de mausolea van de Shia heiligen in Irak en Iran hadden we al heel wat ergere specimina onder het mes gehad.

De entree van de dargah was een lampenwinkel vol kroonluchters en haremlantaarns met felgekleurd glas, alle verbonden door een spinneweb van snoeren en draden, wazig van het stof. Daartussen bungelden borden en borduurwerk met de gecalligrafeerde naam van Allah, ingelijste foto"s van de Kaäba en de Dargah Sharif zelf, en zoemende ventilatoren, etiketten eraan met de namen der gulle gevers, meestal ook complete adressen.

Er trok iemand aan de mouw van mijn koerta: "Good afternoon, my name is Chisti. Ik verwelkom u bij ons familiegraf."

"Hoeveel kost dat?" vroeg Ewald.

De heer Chisti Nr.2 aarzelde: "Tien roepies." Misschien had hij gezien hoe we twintig verwierpen.

"Ha, nog geen paisa!"

Hier waren we resoluut in. We gaven graag aan individuele behoeftigen, maar het officiële gebedel van tempelwachters dat de Muslims bij hun heiligengraven toestaan is een plaag die Allah stellig niet welgevallig is. Ons aller held Jezus had ze met een zweep de tempel uitgeslagen. We onderdrukten de neiging om nog enige jongere, in de schaduw lummelende Chisti"s te schofferen, gingen door de zilveren deuren en schreden op eigen kracht het mausoleum in. Over de hoofden zagen we al het marmeren praalgraf en -

"Good afternoon, my name is Chisti. Wat fijn u te ontmoeten."

Ik moest denken aan de woorden van Moinuddin, die kennelijk ook af en toe genoeg had van de dierbaar te beminnen medemens: "Houd je hoop niet gevestigd op de mensen. Leef ver bij de mensen vandaan, afgezonderd van de massa. Vraag of verlang niets van wie dan ook." En toen ik aan hem dacht miste ik hem opeens alsof hij me net was ontvallen.

"Ik heb hier geen zin in," zei ik. "Wie hier ook is, Moinuddin niet. Misschien moeten we later terugkomen. Vannacht als het stil is."

"Nou, we zijn nu hier, en... Blijf jij anders even in de voorhof, dan zie ik je daar zo. Ik doe even de ronde. Misschien bid ik ook nog even."

Dat bidden volgens Islamitische ritueel deed hij al maanden, af en toe als het zo uitkwam. In moskeeën groot en klein, in steden en dorpen, soms ook op de hotelkamer of het balkon. Ik zag de schoonheid ervan, kon meegaan in de meditatie, maar wilde mezelf niet voegen naar die vaste vorm. Te wars van georganiseerde religie, die altijd dogmatiek voortbrengt, en teert op een sectarisch geloof in het eigen gelijk.

Het is steeds hetzelfde liedje. Eens in de zoveel eeuwen staat er iemand op die de mensheid echt iets te vertellen heeft, een goddelijke boodschapper, en meteen na zijn dood doen de volgelingen alles wat mogelijk is om die boodschap aan wereldse doelen dienstig te maken. De liefde voor God (hoe ook verbeeld) die leeft in de harten der mensen, wordt cynisch geëxploiteerd ten gunste van commercie en politiek, de politiek van wie er ook betaalt voor het bouwen der tempels - en het levensonderhoud der tempelwachters. In drie generaties is er van de oorspronkelijke bezieling alleen nog een klein vlammetje over, en soms vind je zelfs dat niet.

Hier in Ajmir leek het licht, ondanks die lampenwinkel in de dargah, ver te zoeken. Dat deed me verdriet, want ik bleef een romantisch beeld houden van religie als iets dat je leven verrijkt met een innerlijke schoonheid. Een beeld van zuiverheid in gedachten en daden, vrij van eigenbelang en vervuld van liefde. De innerlijke bruid, maagdelijk en fier, te koop alleen voor volledige overgave. Deze bruid werd hier grof bezoedeld, een misdadige corruptie van iets dat mij veel waard was.

Het Sufisme van de Chisti Orde, dat me zo had aangetrokken - kon ik dat doorstrepen? Of moest ik niet teveel naar die uiterlijke verschijning kijken, de exoterische vorm, en meer naar de innerlijke zoeken? Maar waar zou ik die vinden? Bij de Nawab Sahib? Hier op de voorhof van het graf, tussen de kamperende pelgrims?

Ik keek om me heen en zag in de schaduw van een pilaar een wat oudere man zitten met eenvoudige witte kleding, een kort wit baardje en een wit kanten kalotje op. Hij leek te staren naar de ingang van de dargah, met zijn schuifelende pelgrims en husselende Chisti"s, maar toen ik hem wat beter bekeek besefte ik dat hij niets zag. Althans niets wat ik ook zag. Te oordelen naar zijn vredige uitstraling, de vage glimlach die van geen wijken wist, had hij een gouden visioen voor ogen. Moinuddin: "Het is een kenmerk van de verlichte dat hij altijd glimlacht. Als hij begint te glimlachen komen de engelen op hem af, en als hij dat ziet verdiept zijn glimlach zich alleen nog maar."

"Misschien is hij gewoon vergenoegd," rationaliseerde ik. "Van ver gekomen, het doel bereikt, nu rest niets te doen dan genieten." Maar er ging iets van hem uit dat vergenoegdheid overstraalde. Ik slenterde wat zijwaarts, en ging als toevallig vlak naast hem zitten, starend naar de ingang van de dargah, de schuifelende pelgrims. Ondertussen stemde ik af op zijn vibraties, die heel rustig waren, met een flauwe, uitgerekte draaggolf, alsof het moment maar een rimpeltje was in een lange deining.

Na een poosje vatte ik moed."Pardon meneer," probeerde ik in het Engels, "mag ik u iets vragen?"

De oude man keek opzij en glimlachte, niet aangevend of hij me had verstaan.

"U lijkt bijzonder gelukkig te zijn. Wat is uw geheim?"

"Ik verzet me niet, dat is alles."

"Overgave? Is dat het?"

"Net als iedereen voel ik heel de dag Gods aanwezigheid. Maar anders dan de meesten, onderdruk ik dat gevoel niet."

"Dus u bent altijd zo? Voortdurend in verzaligde staat?"

Weer glimlachte hij, maar iets minder gelukzalig, en zei: "Ik heb vijf jaar voor mijn aan kanker stervende vrouw gezorgd. In die tijd heb God niet altijd lief gehad."

Schaamte overstroomde me. Hoe had ik kunnen denken dat de staat van genade zo makkelijk was bereikt?

"Het enige dat ik steeds heb gedaan, in slechte tijden en in goede, is mezelf voor het hogere bereid gehouden. Zoals Moinuddin zei: "De derwish blijft steeds dicht bij de Vriend zitten, zodat, wanneer Deze hem iets wil geven, hij gereed is om het te ontvangen."" Na een moment stilte waarin hij me taxerend aankeek: "Maak je die houding eigen. Daar kun je niet vroeg genoeg in je leven mee beginnen."

Bewonderend keek ik hem in de lieve grijze ogen. "Dankuwel, meneer."

"Beter kun je Hem bedanken voor al wat Hij je geeft. Doe dat elke dag, op je blote knieën, dan zal het je goed gaan."

"Nog één vraag: bent u Soefi?"

"Ja jongeman, dat zit in de familie. Mijn naam is Chisti."

 

Twintig minuten later kwam Ewald uit de dargah, de vrome blik in de ogen waar ik me soms zo aan ergerde. Een beetje streng, alsof de ontmoeting met God geen lolletje was. Met zijn snor en ringbaardje, steeds aangekweekt als we in Islamitische streken verkeerden, kortgeknipt haar en wit katoenen kalotje zag hij eruit alsof hij zo uit een priesterschool was weggelopen. Een van die zeloten die het ons in Iran zo lastig hadden gemaakt om Allah te ontmoeten. Moinuddin: "Hij, voorwaar, is een gevangene, die doet alsof hij vroom is."

"Gesticht?" vroeg ik.

"Het was prachtig. Al die mensen, één in hun devotie..."

"Ja en met zoveel gidsen - dan moet je de weg tot Hem wel vinden."

"Ach, daar moet je even doorheen, joh. Het is ongelooflijk, al die mensen, al die wervelende emoties!"

Al die mensen, dat was precies waar het om ging. In de commotie was het moeilijk de eigen emoties te herkennen. Gevoelens vloeiden er dooreen als het water van duizenden stroompjes, naar de oceaan kolkend in een grote rivier die alles overweldigde. Daar sereen onder te blijven leek me geforceerd. Zeker als je het vergeleek met de spontaan optredende sereniteit van eenzaamheid op een bergtop. Of de sereniteit van de oude heer Chisti.

"En jij? Heb jij nog wat gedaan?" vroeg Ewald.

"Ach nee, ik heb gewoon hier wat gezeten. Een babbeltje gemaakt..."

"Zullen we dan nu eens naar de Nawab Sahib gaan?" Hij articuleerde het netjes.

"Vooruit, wie weet heeft hij nog een kamertje over."

 

 

Aan het Hof van de Nawab

De Nawab van Ajmir had een paleis aan de rand van het complex, met uitzicht op de Dargah Sharif en de met marmer geplaveide tempelhoven, de duizenden schuifelende mensen. Bijna heel de benedenverdieping was één grote troonruimte, kaal als een balzaal, met alleen tegen de achterste wand enig zitgerief. De oude vorst zelf"hing onderuit in een krullerige, doorgezakte troon, rijk gestoffeerd maar smoezelig en kalend. Hij had iets grootmoedigs, en tegelijk iets ongeduldigs, alsof zijn natuurlijke welwillendheid door misbruik zwaar op de proef werd gesteld.

Om hem heen nestelde een hofhouding van heren en jongemannen in diverse stadia van gezag en welvaart. Een half dozijn op keukenstoelen, de rest staand of zittend op sleetse tapijten. Het late zonlicht viel in brede banen door de hoge vensters, bijna ondoorzichtbaar door het vredig zwevende stof. Er stonden waterpijpen klaar, en theetafels vol lege glazen. Jochies op blote voeten renden af en aan om het hele zaakje gaande te houden. Glaasje thee hier, vuurtje daar, vers testje houtskool voor een echte doorroker...

Onze binnenkomst baarde enig opzien, maar lang duurde dat niet, daarvoor was het hof te druk; hoewel onduidelijk bleef waar die drukte uit bestond, anders dan uit onderlinge conversatie en ruggenspraak. Indiërs kunnen alleen al uit het samenzijn met een gewichtig personage een spanning opladen die de ruimte vult als statische electriciteit. Om de intensiteit verder op te voeren zat een enkeling stiekem paan te kauwen, af en toe naar achteren buigend om te spugen in een door een onderling bereid gehouden lota.

Op de grond tegenover de hofhouding, op beleefde afstand van een meter of vijf, zaten enige tientallen mannen en een paar vrouwen, die met een mimiek van abjecte onderdanigheid probeerden de aandacht te trekken zonder dit te doen. Het beeld was vertrouwd. Elke Indiase hoogwaardigheids­bekleder van minister tot dorpshoofd zit van "s morgens vroeg tot "s avonds laat met een huis vol smekelingen. Maar zoveel als hier hadden we er niet eerder gezien. De Oers was natuurlijk ook een moment bij uitstek om gunsten te vragen. Want wanneer zou de Nawab milder gestemd kunnen zijn, dan op de sterfdagen van de liefhebbende Gharib Nawaz, Patroon der Armen?

De drukte maakte het ondoenlijk om een diepgaand gesprek te voeren, dat was meteen duidelijk. En om ons te scharen tussen al die smekelingen - "mogen we logeren alstublieft?" - was ook geen optie om lang te overwegen. We besloten hem dus gewoon de groeten van Hayat te doen en verder maar af te wachten. Uiteraard waren we niet meteen aan de beurt. Een man van middelbare leeftijd knielde op één knie naast de troon, kennelijk voorspraak houdend voor zijn zoon, een pukkelige jongeman met voor zijn leeftijd een te grote snor, die achter zijn vaders rug zat gehurkt.

De Nawab luisterde, sprak enige woorden die vriendelijk klonken en wuifde het paar met losse pols weg. Een secretaris noteerde wat de vorst had gezegd in een duimendik kasboek. Buigend begaven vader en zoon zich achterwaarts, tot ze door een zijdeur naar buiten konden. Daar bogen ze nog een keer extra diep en verdwenen.

"Okee, nu wij," zei Ewald.

"Moeten we niet even geduld hebben? Er zijn nog zoveel mensen voor ons..."

"Ach, die zijn het wachten wel gewend."

Ik leg die uitspraak nu in zijn mond, maar die had even goed uit de mijne kunnen komen. Wel vaker gingen we in India voor de beurt, misbruik makend van het in de praktijk nog steeds heersende voorrecht der blanken - in deze tijd van onafhankelijkheid niet meer gebaseerd op vrees, maar op brandende nieuwsgierigheid naar alles wat buitenlands was.

"As salam aleikoem."

"Wah aleikoem salaam."

"Wij komen uit Delhi en brengen u de beste wensen van mevrouw Bouman. U kent haar toch? Hayat Bouman, de hakim van Hazrat Inayat Khan?"

"O ja, ik ken haar heel goed. Zij kwam vroeger elk jaar. Een vrouw met een groot hart, die veel goed doet voor de mensen. En zij is haar goeroe hééél toegewijd."

Zoals hij het zei zou je erbij kunnen denken "op het absurde af", maar het kon ook toeval zijn dat hij dat "heel" zo rekte.

Ik wist dat we weinig tijd hadden en wilde meteen tot de kern komen. "Hoe ziet u Hazrat Inayat Khan? Een grote heilige in de lijn van Moinuddin Chisti?"

"O zeker, hij was een man van hoge kwaliteiten, leerling van een zeer geziene meester."

"Verdient hij als meester in de Chisti Orde niet een veel mooier graf? Een echte Dargah Sharif met een marmeren paviljoen en zilveren hekken?" Dit was een vurige wens van Hayat.

"Inayat Khan heeft zijn werkterrein vooral onder de Westerlingen gehad. Daardoor had hij in eigen land weinig volgelingen." Hij keek ons in de ogen om te zien of we het begrepen. Toen achteloos,weer met die polsbeweging: "Het zijn de volgelingen die zorgen voor het graf."

Zette hij ons Westerlingen als Filistijnen neer? Te gierig om te zorgen voor een praalgraf met honderden kilo"s zilver, ivoorwit marmer ingelegd met parelmoer en edelstenen? Zelf hadden we een paar tientjes in Hayat"s busje gestopt, het gratis onderdak verdisconterend.

Armoede maakt sommige mensen berekenend, anderen royaal. Wij slingerden van dag tot dag heen en weer. Soms voelden we ons rijk en gaven we ruimhartig, op andere dagen beseften we hoe mager ons budget was en woekerden we met elke penning. Vaak hielden we een kasboekje bij, meestal niet meer dan een verzameling kladblaadjes, maar toch, een verantwoording van elke paisa. Voor contributies aan praalgraven was geen rubriek voorzien.

"Zijn jullie Sufi"s?"

"Ja," zeiden we zonder aarzelen. We waren van alles - en zeker ook Sufi, in de mystiek de meest dichterlijke stroming.

"Kom dan vannacht om tien uur naar de Mafilkhana, de muziekzaal van de derswisjen. Daar wordt gespeeld voor een select gezelschap. Als ze je niet binnen willen laten, zeg dan maar dat je mijn gasten bent." Hij gaf ons met een hoofdknikje te kennen dat de audiëntie voorbij was. Zodra we ons verwijderden, de eerste stapjes achterwaarts om de Nawab van Ajmir niet bot de rug toe te keren, sloop er een nieuwe smekeling op de troon af, een kunstlederen aktentasje in de hand.

 

De Mafilkhana was een hoog en breed maar ondiep paviljoen, eigenlijk niet meer dan een langgerekte zuilengalerij, die met met grote groene horren was afgeschermd. Van buiten zag je wel wat er binnen gebeurde, maar wazig, als in een andere wereld. Er werd muziek gespeeld, een rustig soort qawwali, onversterkt. Dat we gasten van de Nawab Sahib zeiden te zijn opende meteen een hordeur. Zodra die zich achter ons sloot had ik het gevoel in een inner circle te zijn beland; dit waren de boys. Intelligente gezichten (op een paar ingedommelde geronten na), geen zweem van fanatisme of dweperij, iedereen even ontspannen en wellevend, de sfeer van de Grote Club.

Vele leden zochten even oogcontact met deze twee nieuwelingen. En steeds eindigde dat in een vluchtig aangegeven aanvaarding; het begin van een glimlach, het kleinst mogelijke knikje, het kort luiken van de ogen - elk grover gebaar zou beledigend zijn geweest, als een opgestoken duim bij een ballotage.

We kregen een plaats toegewezen halverwege de kern van oudere, wit bebaarde heren, en de vleugel met jonge of anderszins minder geëvolueerde leden. Hoe liefdevol mensen ook met elkaar omgaan, rangen en standen blijven toch bestaan. Zelfs hier bij de Soefi"s, die het idee van autoriteit stelselmatig teniet doen. Veel ordes kennen een collectief leiderschap, een hoge raad. Deze bepaalt wie van hen als Pir naar buiten zal treden. Dat kan elke dag een ander worden - al gebeurt dat vrijwel nooit. Toch, deze "statutaire" bescherming tegen persoonsverheerlijking, machtsopbouw en misbruik daarvan, versterkt het vertrouwen in de broederschap en maakt het makkelijker je er met heel je ziel aan over te geven. Ik spreek met nadruk over dat vertrouwen, die overgave, omdat die een paar weken later zo"n belangrijke rol zouden spelen.

Het horrengaas sloot de Mafilkhana nog vollediger af van de buitenwereld dan je van daaruit zou denken. Misschien door het licht hier binnen van kroonluchters en slingers peertjes, dat door het stoffige gaas werd verstrooid . Het was alsof er een enorm kamerscherm was opgesteld, waar doorheen je schimmig nog wat beweging zag. Het suggereerde ook heel sterk dat je in je hoofd zat, althans in een hoofd, en de buitenwereld even voor gezien hield.

Er is iets mystieks op zich aan een besloten gezelschap, één van stemming en overtuiging. Een kring die het goddelijke tot thema heeft gekozen is als een vliegende schotel die zich als vanzelf verheft boven het aardse. Van al wat er zich afspeelt hebben de deelnemers later nog maar een vage herinnering - althans ze vinden het moeilijk om de essentie ervan onder woorden te brengen. Ik weet ook niet meer precies wat zich afspeelde daar in de Mafilkhana, alleen dat we er uren waren, luisterend naar de zang, converserend op zachte toon, met het gezicht gekneed tot een voortdurende warme glimlach. Als iedereen erbij zit of hij zalig is wil je daar niet voor onderdoen.

Het vreemde is, dat als je je opstelt alsof je heel de mensheid bemint, en dat uren achtereen volhoudt, je dit na een poosje ook waarlijk gaat doen. Er is iets in ons dat streeft naar integriteit, naar eenheid van uiterlijk en innerlijk. Omgekeerd zie je dat ook: iemand die zich asociaal of misdadig opstelt, wordt dat na enige tijd metterdaad. Daarom is het van groot gewicht welke filosofie je aanhangt, wat je levenskijk is, want iets heel krachtigs in je blijft streven om die in praktijk te brengen.

Voor mijn eigen zieleheil zou het goed zijn als ik vaak in de Mafilkhana bij Moinuddin"s graf zou zitten, maar ik woon daar nu ver vandaan. Toch ben ik er af en toe even, terugkomend op een plek waar ik graag wil zijn - in een staat van vrede, dankbaarheid, en liefde voor al wat leeft. Ik herinner me die nacht als een collectieve omhelzing, een opname in een broederschap. Niet zozeer die van de Sufi"s, want dat is ook maar een naam, een orde, een manier van naar buiten treden, maar de grote, universele broederschap van liefhebbende mensen.

Laat ik duidelijk stellen: dit was een volstrekt subjectieve beleving. Ik vond het heerlijk en voelde me als heilige temidden van heiligen, engel in de engelenschaar. Maar feitelijk slaat dit nergens op. Ik weet niet hoe goed of slecht die muziekminnende Soefi"s in hun dagelijks leven waren. Of ze hun vrouwen sloegen, stalen uit de tempelkas of armlastige nichtjes bevingerden? En hoe nobel was ik zelf?

Dit is bij alle religieuze en mystieke genootschappen een punt van zorg. Men kan er zo makkelijk een gratuit gevoel van veredeling aan overhouden: ik ben lid van Heilige Orde Mooie Naam en dus een vreselijk goed mens. Dit vastgesteld zijnde kan ik nu doen wat ik wil... (En wie mij tegenstreeft is de baarlijke duivel zelf en dient vernietigd te worden - het begin van religieus fascisme.) Er is geen groter gevaar dan een onterecht gevoel van heiligheid, en het is zaak om waakzaam te blijven, vooral jegens jezelf.

Maar als er iets is dat we moeten leren, dan is het op ons gevoel te vertrouwen. Als je liefde voelt, mag je er grosso modo van uitgaan dat dat is wat het is.

 

Onderdeel van het programma die avond was de Dans der Derwishen, het beroemde wervelen dat de Soefi"s gebruiken om uitzinnig te raken. Maar anders dan bij de zikr in Nizamuddin-Aulia, en anders dan bij de derwishen van Koni in Turkije, was er hier van enige extase niets te bespeuren. Meer een walsje van enige getulbande en in gewaden gehulde heren, de meesten oud en slecht ter been. We deden er niet aan mee.

Misschien was deze dans op een feestdag in de Mafilkhana alleen een vertoning voor publiek, zij het achter gaas. "Wat doen die ingewijde Soefi"s eigenlijk op hun geheime bijeenkomsten?" "Nou, kijk maar door de horren, daar zitten ze. Een beetje zingen en rondhuppen enzo." Mogelijk werden er elders, op andere tijden, aangrijpender sessies gehouden.

Elke mystieke orde heeft zijn exoterische kant, zichtbaar voor leden van lage inwijdingsgraad en buitenstaanders, en de esoterische kant, toegankelijk alleen voor vol ingewijden. Net als bij de vrijmetselarij, je weet wel hoeveel inwijdingsniveaus er beneden het jouwe zijn, maar niet hoeveel erboven. Kennis over de esoterische kant naar buiten te brengen, zoals Idries Shah heeft gedaan in De Soefi"s wordt in veel ordes als een verraad gezien aan het principe dat je geen informatie moet verschaffen waar mensen niet aan toe zijn.

Mystieke genootschappen koesteren hun geheim in hun hart, omdat het hen kwetsbaar maakt. In een samenleving die niet de liefde maar de zelfzucht als overheersende drijfveer kent, is het prediken van de liefde een subversieve daad. Het ego voelt zich erdoor aangetast en eist dat de verhoudingen zakelijk blijven zien. Macht vermindert naar mate je ervan deelt, terwijl liefde door het schenken juist vermeert. Daarom willen machthebbers de boodschap van de liefde niet horen. Maar het lijkt allemaal een kwestie van tijd. De liefde, een nog vrij jong fenomeen in de ontwikkeling van de mensheid, is een zo grote kracht, en hij vermeert zich zo makkelijk, dat hij alles kan overwinnen.

Het idee van een alomvattende liefde als bron van levenskracht en vreugde was toen"als een groot mysterie, iets waar je alleen achter gaas deel aan kon hebben, of in de beslotenheid van een tempel. Iets waartoe je formeel of informeel werd ingewijd. Nu anno 2000 ben ik bevriend met een management-guru die er kapitalen mee verdient managers van grote bedrijven te vertellen dat ze vanuit het hart moeten werken, met liefde als grondhouding. En hij is maar één van tientallen zulke consulenten in Boston, Chicago, Frankfurt, Londen, Amsterdam. O ja, mijne heren m/v,"The times they are a-changing..."

In elk deel van deze trilogie laat ik die titelsong van de jaren zestig weerklinken. De veranderingen die sommigen van ons destijds voorvoelden beginnen nu het leven van miljoenen te raken. Wat toen gebeurde met hen die erbij waren, heeft de aanzet gegeven voor een verandering van opvatting en houding die revolutionair zal doorwerken.

De postmoderne samenleving met zijn notie van vrijheid en openheid, brengt vanzelf meer oprechtheid, want wat is er in deze tot een web verknoopte wereld nog te verbergen? Die oprechtheid nodigt uit om het beste in onszelf toe te laten en daaruit te handelen. Sluit dat niet wonderlijk mooi aan bij het jaren-zestig-ideaal van de in liefde levende mens? Zo komen twee denkstromen, die uit de zakelijke en die uit de alternatieve hoek, aan het begin van dit millennium bijeen.

Het idee dat we hadden in de jaren zestig - dat we met al ons struikelen, tasten, in den blinde voorthollen, wegbereiders waren van een nieuwe wereld, meer één, meer verbonden in gevoel - werd destijds en ook later in de media routinematig beschimpt. Het sixties beating werd een modieus cliché, op de school voor de journalistiek kun je er al niet meer mee aankomen.

Toch zijn de lijnen zo duidelijk zichtbaar dat jonge historici, als ze ooit eens het stof van deze periode blazen, vrij snel zullen ontdekken wanneer en hoe de aardkorst begon te kraken en het warme sap naar buiten perste; wanneer het pantser van het zakenpak een knoopje openging en het gevoel een rol ging spelen. Verwacht in dezen niet veel opheldering van de media, die beroepshalve altijd achter alles aan lopen, nooit voorop. Kijk eerder naar de management consultants.

Wie de New Age wil zien, moet niet bij Oibibio zijn, maar bij McKinsey, Arthur Andersen, Bain Consulting, KPMG, Customer Loyalty. "Something is happening, but you don"t know what it is - do you mister Jones?" zong Dylan. Die misters Jones, wisten we, waren de zakenlui. De mannen die maar één ritueel kenden, het trekken van het orderboekje, en één vorm van zaligheid: een geluk geconcentreerd rond de ijskast en de auto, dat vrijwel geheel losstond van het geluk of de misère van anderen. Dit was de American Way, model jaren vijftig, dat overal in de wereld navolging vond. Maar sindsdien zijn er heel wat nieuwe modellen gelanceerd. En de laatste zijn allemaal ronder van vorm, zachter van uitstraling, meer holistisch.

Hoe dat komt? Volg het spoor terug en je ziet waar de lijnen beginnen te divergeren. Voor de een was dat bij gelegenheden als de Oers voor Moinuddin Chisti in Ajmir, Rajasthan, voor anderen een yogaklas in Parijs, een TM-sessie in Brooklyn, Zen in Kyoto, Tai-Chi in Green Park of vijf jaar zitten in Tibet. Kijk naar de biografieën van de grote guru"s, Rajneesh, Maharishi Mahesh Yogi, Maharaj-ji, Iyendra, maar ook Westerse als ..... en Alan Watts, de latere Baba Ram Dass, allemaal begonnen ze in de jaren zestig, of beleefde hun beweging in die tijd de eerste grote aanwas.

"All you need is love" - wanneer zongen we dat ook weer voor het eerst? Nu staan veertig managers van een Amerikaanse verzekeringsmaatschappij, mannen en vrouwen, dit te zingen in een zaaltje van het Americana op Sixth Avenue, de armen om elkaars schouders geslagen. Ze wiegen zacht vanuit de heupen en stralen van geluk (dat ze het bedrijf zo"n dure cursus waard zijn). Het heeft allemaal nog niet de sereniteit van de Mafilkhana, noch de spontaniteit van Woodstock, maar we zijn toch op weg.

 

We vonden onderdak in een hotelletje van de lagere middenklasse: drie etages hoog, een balie en een trappenhuis in het midden, gangen links en rechts, hurktoiletten en douches aan het eind van elke gang. Vloeren betegeld of granito, soms van kaal, glimmend gesleten beton. Armzalig als de neten, maar redelijk proper en altijd met de luxe van room-service op afroep. Indiase zakenlieden en ambtenaren, zelfs van subalterne rangen, zijn gewend om in hotels allerhande diensten verricht te kunnen krijgen. Doosje lucifers brengen of pot melkthee en vijf omeletten ("met versgehakte pepers, Hassan, denk eraan!"), schoenen bij de hersteller afgeven dan wel poetsen, brieven posten, stoelen op de expressebus reserveren, paan of kranten halen... Steeds schalt het door de gangen, "Hé jongen! Kom op ouwe, waar blijf je!"

Nu tijdens de Oers was dit ideaal, omdat we ons daardoor niet in de overvolle eethuizen hoefden te storten, maar comfortabel in de kamer konden eten. Hierdoor werd zo"n hotelkamer ook al gauw een soort thuis. Je at, sliep, las en werkte er, had urenlange gesprekken en discussies. Gelukkig konden we elkaar met onze afwijkende meningen, eigenaardigheden en voorkeuren goed verdragen. En we besteedden bijna elke dag een tijd in meditatie, waarbij al dat soort dingen sowieso wegvallen.

We deelden een liefde voor het religieuze leven zoals we dat in het Oosten hadden leren kennen. En natuurlijk, ook al zeiden we dat nooit, hielden we van elkaar. Er zijn mensen, waaronder heel geleerde, die vriendschap en liefde willen scheiden, maar dat lijkt mij haarkloverij. Als je de ander het beste toewenst, dat is vriendschap, en dat is liefde. Wat we verder voor elkaar betekenden, was vooral de wederzijdse uitdaging: om verder te gaan, dieper, je nog vollediger aan de beleving te geven. Ook was er de werderkerige bijscholing, het samenvatten van en citeren uit boeken, waardoor we twee keer zoveel lazen als we deden.

Op de tweede avond nuttigden we een klein souper van thee met cake - "met rozijnen Hassan, dat is belangrijk!" en rustten wat uit op bed, grasduinend in de drukwerkjes die tegelijk met wat wierook en dadels in de bazaar waren verworven. De dadels waren zo groot dat ze je hele mond vulden, en zacht als pruimen.

"Hé moet je horen wat Moinuddin ook zegt," riep Ewald smakkend. "In The Life & Teachings door, hou je vast,Hazrat Dr. Zahurul Hassan Sharib Gudri Shah: "Er is niets beters in de wereld dan het genootschap der mystici en het respect dat men heiligen betoont!""

"Prachtig hè, zo bijna naïef onverhuld. Dat zou nu niet meer kunnen."

"In het Westen in ieder geval niet. De mens is zo cynisch geworden..."

"Iedereen kijkt neer op zelfpromotie, maar als je het zelf niet doet, wie doet het dan voor je?" Wie zei dat ook weer, Norman Mailer?

"Het kan nooit kwaad de eenvoudigen van geest te wijzen op hun plicht je respect te betonen."

"We hebben dat schromelijk verwaarloosd. Laten we nu de straat opgaan en er meteen mee beginnen."

In de bazaar keken veel mensen inderdaad met enig ontzag naar ons. We staken een kop boven ze uit, zagen er eenvoudig maar netjes gekleed uit, meestal in het wit, gedroegen ons (op schaarse momenten van ziedende frustratie na) wellevend, en straalden vermoedelijke de vreugdevolle kracht uit van twee jonge mannen, gezond van lijf en leden, die ten volle genoten van wat ze aan het doen waren.

Hier kwam bij, dat wij door de meesten als pelgrims zullen zijn gezien, kennelijk van heel ver. Dat op zich was iets waar men respect voor had. Vanzelfsprekend deden we ons best om aan het beeld te beantwoorden. Zo werden we daar in Ajmir in korte tijd nobele mensen, weliswaar maar voor de duur van de Oers, maar toch, het was mooi jezelf eens in zo goede gedaante te zien. Onderschat nooit de kracht van een positief zelfbeeld. Tenzij het een volslagen vervalsing is kun je het gebruiken om er iets dichter naar toe te groeien. Begin ik er jong mee, en je wordt voor je dertigste aanbeden.

Bij de dargah werd amper meer gehusseld, alleen nog wat arme achterneven en beginners. Het loonde de harde kern "s nachts kennelijk de moeite niet. De dargah zelf bestond uit een praalgraf, rijker nog dan dat van Nizamuddin, in de stijl die we al kenden sinds de heilige steden van Irak en Iran: een verhoogde zerk van wit marmer, overhemeld door een op zuilen rustend baldakijn van gesmeed en gedreven zilver, gladgesleten door eeuwen van streling, wanhopige omklemming en hartstochtelijke kussen.

Aan het graf vond ik de vrede die ik zocht. Samen met mijn reisgenoot, met wie ik al op zoveel plekken in stille aandacht bij graven en altaren had gestaan, liet ik mijn ziel versmelten met de aanwezigheid, de hazrat, van Moinuddin Chisti. De Gharib Nawaz die zijn leven had gewijd aan het brengen van de boodschap dat het wezen van God de liefde is - geen vrijblijvende liefde, puur sentiment, maar liefde als drijvende kracht van handeling.

Ik voelde me gelouterd en gesterkt. Het bezoek aan een groot man, ook al is hij niet meer in leven, geeft je een voorbeeld dat je kan helpen om te groeien. Want wat de dode vooral zegt is: "Zo zou jij ook kunnen zijn, als je je helemaal gaf."

Moinuddin zei het bij leven letterlijk: "Ga waar je wilt, maar leef als de volmaakte mens." De confrontatie met iemand die dit van je eist aktiveert innerlijk aspecten van een hogere orde en geeft je een stralender zelfbeeld, waardoor je gelukkiger wordt, meer van jezelf gaat houden en daardoor ook meer liefde aan anderen kunt geven.

Dit, althans, is de theorie. In de praktijk komt daar soms misschien weleens iets tussen.

 

 

Macaroni bij Sheikh Fazal Inayat Khan

 

KORT VOOR ONS VERTREK naar het Oosten had Ewald in het avondland al kennis­gemaakt met de Soefibeweging. Aangespoord door in Londen ontmoete ordeleden maakte hij een treinreis naar het Verre Oosten van Nederland om een bezoek te brengen aan hun nieuwe geestelijke leider: Sheikh Fazal Inayat Khan. Wegens gedeelde interesse had hij een gezamenlijke vriendin uitgenodigd om mee te gaan, Yvonne Apol, de vrouw van filmer Johan van der Keuken.

Fazal bleek een intrigerende figuur, half Californische wiseguy, half Oosterse wijze. Lang haar, volle baard, diepe mysterieuze stem. Ewald was nogal onder de indruk geraakt, was mijn indruk. In hoeverre dit terecht was, daar had ik geen kijk op. Er was vaag sprake van dat ik de guru ook zou ontmoeten, maar om voor Verlichting af te reizen naar de Achterhoek, dat had iets absurds. Ik vergat de grote Pir meteen, want wij gingen op reis en die man zat ergens in de wereld die wij verlieten, dus die bestond al snel niet meer.

Maar zie, twee jaar later: Ewald is in Delhi terwijl ik ergens zit te studeren, hij logeert bij Hayat in Nizamuddin en komt daar weer die Fazal tegen, inmiddels met een gevolg. Frederick van Pallandt, de grote Amir Nawaz, en de filmacteur Terence Stamp, ook iets hoogs in de orde. Verder wat lagere helpers, de Duitse echtgenote van Fazal met twee blonde kinderen en - tot Ewalds totale verbijstering, Yvonne van der Keuken, althans voorheen Van der Keuken, die als kindermeisje fungeerde.

Yvonne bleek na ons vertrek uit Nederland alleen te zijn teruggegaan naar Fazal Inayat Khan. Zij werd op slag verliefd op hem, of door Fazal verleid of allebei, en stemde erin toe om zijn bijvrouw te worden, wat bij hem als Muslim immers mogelijk was. Voor Johan van der Keuken, maar dat vernamen we pas bij terugkeer, was dit een slag die hem vele jaren bleef pijn doen en zijn ideeën over Soefisme scherpe randjes gaf. De hele ploeg was gezamenlijk naar India gekomen om Fazal aldaar te installeren, als hoofd van de Westerse Soefi"s. Fazal, die voor de rol niet was opgeleid, zou worden gecoached door een kundig team, showbizzman Van Pallandt en toneelspeler Stamp. Ze hadden voor de sheikh en zijn gezin een modern huis gehuurd dichtbij het graf van Fazal"s opa, dus tevens dichtbij Nizamuddin-Aulia en dichtbij Hayat.

Zelf woonden de opleiders in het Lodi, een van de meer luxueuze hotels in New-Delhi, waar ze een paar suites hadden. In dit hotel vonden lange bidstonden plaats. De heren vastten soms streng en er werden informele cursussen mystiek gegeven ten behoeve van de jonge Pir. Ewald, inmiddels officieel en besneden Muslim en redelijk thuis was in de Soefi-literatuur, werd uitgenodigd om mee te doen. Na een paar weken van dit intieme samenzijn met de grootmeesters leek inwijding in de orde alleen nog een formaliteit.

Toen Ewald me hierover berichtte reageerde ik tweeslachtig. Ik benijdde hem de interessante contacten, want het waren toch Namen, mensen die iets betekenden in de wereld en daaraan macht ontleenden. Het rook lekker naar heilig, en toch riant leven. Maar ik rook ook een zweem van fanatisme - in zijn nu dagelijks gedragen witte kalotjes en in die urenlange gebedsrondes -en vroeg me af of mijn vriend niet aan godsdienstwaan begon te leiden, een ernstige kwaal die de hersenen aantast, een soort spirituele mad cow disease.

Dat Sheikh Fazal Inayat Khan de lieve Yvonne met haar ogen vol kinderlijke verwondering als bijvrouw had deed ook weinig goed. Het was zo moeilijk te rijmen dat ik pas door hen samen te zien zou kunnen beoordelen hoe geheiligd de verbintenis was. Die gelegenheid deed zich voor toen ik een keer alleen in Delhi was en Hayat teveel logees had om me op te kunnen nemen. "Je kunt altijd bij Fazal terecht," had Ewald gezegd, "ik heb hem over je verteld en ik weet zeker dat je van harte welkom bent. Yvonne zou het ook leuk vinden je weer te zien. Ze heet nu Iqbal."

Er werd opengedaan door de Duitse echtgenote, van wie me niet veel is bijgebleven dan haar verbeten gezwoeg om het gezin draaiende te houden in Delhi"s verlammende hitte. Ze zag er geslagen uit, meteen daar aan die deur al. De sheikh zelf zat in zijn gebedskamer, die gestoffeerd was met een dunne gevulde mat, en bergen kussens. Hij hing in een paar van die kussens, een groot lijf, te groot voor zijn skelet, en een zwarte baard met al wat grijze haren. Hij droeg een zilveren ordeteken aan een ketting om de nek, en was juist doende de laatste van een schaaltje samosa"s weg te werken. Hij had bij mijn binnenkomst nog niet allebei de wangen leeg, zodat de begroeting even moest wachten.

"Hallo Peter, goed je te zien. Ewald heeft veel over je verteld - je blijft toch logeren hè?"

"Nou blijft... Mijn bagage staat nog bij Hayat, maar zij heeft al - "

"O geen probleem, dan haal je die straks toch?"

"Okee, graag."

Het warme welkom nam me voor Fazal in. Delhi was een dure stad om in te verblijven, en ik zat tijdelijk extra krap doordat een pakje cheques van de bank niet was aangekomen. De enige andere optie was een armoedig hotel geweest.

"We hebben de komende dagen nogal wat bezoek en ik begrijp dat jij redelijk Hindi kent, dus misschien kun je wat als tolk functioneren?"

"Heel beperkt hoor. Verwacht er voorbij het alledaagse geen wonderen van."

"Prima, ik moet hier poot aan de grond zien te krijgen en alle beetjes helpen. De gezaghebbende ouwe bazen van de Soefi Orde hier in Nizamuddin spreken geen woord Engels. Volgende week komt er een hele partij eten. We gaan macaroni en kroketten voor ze maken, da" s leuk, dan kunnen zij eens kennismaken met wat Westerse gewoonten. Goed zo"n uitwisseling, toch?"

Zijn blik gleed even af naar de schaal naast hem waar nog een laatste brokje uit de Oosterse keuken lag. Hij aarzelde, maar greep toen toch snel toe. "Ik zal zo nieuwe laten komen, dan neem ik deze vast want ik moet aansterken. Ik heb veel gevast weet je, en in zo"n warm land, dan wordt je zwak."

Hij zag er uit als een man die door vasten sterk aangegrepen zou worden. Als je niet beter wist zou je zijn dieet taxeren op vijf hamburgers, tien cola"s en een bak ijs.

"Zeg Fazal, waar is Yvonne?"

"Iqbal is in haar kamer. Het is onder Moslims niet gebruikelijk dat vrouwen deel hebben aan de conversatie. Het is heel belangrijk dat ik de vormen in acht neem, ook thuis. Juist thuis, want het huis is het centrum van je beleving en - "

Opeens zag ik die jonge Dow Chemical employee, die in een Mustang achter de wijven aanreed. De baard eraf, in plaats van dat gewaad een fleurig hemd aan.... Samen stonden we op het erf van een handelaar in tweedehandsauto"s waar hij kwam voor een pauwblauwe Mustang Shelby GT met wit leren bekleding. Kopen of niet kopen? Geloven of niet geloven? Het visioen kleurde de toon van mijn spraak.

"Hé Fazal, dit is toch te gek? Je vertelt mij dat ik Yvonne niet kan zien omdat jij anders geen goede Muslim bent? Wat is dit voor bullshit?"

"Nee rustig, dat kan natuurlijk wel - ik zal haar zo halen. Het is alleen zo dat, nou ja, sommige zaken, spirituele zaken, zeg maar, die houd je onder mannen. Vrouwen kunnen daar wel een eind in meegaan, maar echt in de diepte..." Hij gaf me een slim glimlachje, alsof wij samen wel beter wisten.

Sheikh Fazal stond op om zijn bijvrouw uit de harem te halen. Ik leunde achterover in wat kussens, klaar voor de voorstelling, een scène uit Duizend-en-Eén-Nacht. Yvonne kwam lachend binnen, maar het was niet dezelfde lach die haar vroeger zo"n vrolijke aanwezig­heid had gemaakt. Er was een kennelijk plezier in het weerzien, maar ik zag in haar ogen ook een schaduw van zware tijden, niet lang geleden.

"Hé Yvonne, dit is ongelooflijk zeg! Wat leuk je weer te zien."

We omhelsden elkaar zoals in het Moslimhuishouden alleen broer en zus kunnen doen en gingen tegenover elkaar op de grond zitten, glimlachend van verwondering. Ze droeg een donkerblauwe harembroek en een grijze, hooggesloten blouse met lange mouwen. In het New-Delhi van 1970 liepen rijke jonge Hindoemeiden al in minirokjes op straat. Muslim meisjes van die klasse droegen zedige zijden broekpakjes met sluier, maar zo flunterdun dat elk briesje de stof strak tegen heur jeugdige lijfje blies. Binnenshuis werden die pakjes nog dunner, de meisjes aardse imitaties van de hoeri"s, de hemelse maagden die de Moslim in het paradijs verwacht. Iqbal, kortom, was gekleed als een oude vrijster die haar dagen vult met spinnen en erwten splijten. Ik zag haar al met stoffer en blik een asla uitvegen.

Sheikh Fazal stond op om iets te regelen, vermoedelijk meer samosa"s.

"Hé Yvonne, ben je gelukkig?" vroeg ik snel.

"Ja hoor."

Ik bleef haar aankijken of ik nog op antwoord wachtte.

"Gaat wel. Het is soms wel moeilijk en - "

"Versnaperingen komen er aan!" zei Fazal, weer neerzijgend in de kussens. "Ja, wat een toeval hè, dat jullie elkaar zo hier weer tegenkomen..."

"Ongelooflijk," zei ik.

Yvonne keek me aan. "Ja ongelooflijk," zei ze zacht.

 

De dagen daarna, als Fazal de deur uit was, had ik soms gelegenheid met Yvonne langer te praten. Het hele verhaal kwam eruit, met al zijn voorspelbare romantiek en tristesse. Ze had zichzelf volledig in hem verloren - zoals je je ook in je guru verondersteld wordt te verliezen - en was tot een object van zijn wil geworden. Helaas was die wil, ondanks recent polijstwerk van de Amir Nawaz cum suis, nog niet geheel van het kaliber Soefi-heilige. Het in huis halen van de bijvrouw was de Duitse en haar kinderen onder grote dwang opgedrongen. Er waren daardoor veel spanningen, Fazal was niet altijd de makkelijkste, hij kon erg opvliegend zijn, had zijn emoties soms niet geheel in bedwang, en meer van die standaard frasen uit het blijf-van-mijn-lijfhuis.

Maar goed, een mens wil niet te snel oordelen, zeker niet als hij geen ander logeeradres heeft. Het oordeel kon zich in de weken daarna verdiepen, doordat Sheikh Fazal en ik veel samen op pad gingen. Hij raakte geïnspireerd door mijn sitarspel en wilde ook zelf dit instrument leren bespelen, dus togen we naar Old-Delhi om er een te kopen. Ik bracht hem de eerste vingertechnieken bij en wat idee over de structuur van raga"s, en drong erop aan dat hij een echte leraar zou zoeken - maar die gedachte viel slecht. "Ik kan natuurlijk niet als kleinzoon van de grote Hazrat Inayat Khan, de muzikale heilige, hier in Delhi muziekles komen nemen."

Het werd me duidelijk dat hij de muziek steels wilde leren, net als het Soefisme. Ik zou als een soort spookleraar fungeren, onzichtbaar voor de buitenwacht. Deze buitenwacht, hier belichaamd door de Soefigemeenschap van Delhi, zag hij als een vesting die hij veroveren moest. Het was zijn taak hen te overtuigen van zijn kwaliteiten als Pir van een Soefi-orde - en dus van zijn bijna bovenmenselijke, lichtende heiligheid. Hij had inmiddels de voornaamste Koranteksten op de lippen, kende een paar Soefi schrijvers en dichters, en had al een een rijke verzameling opgebouwd van soundbytes over Verlichting, Broederschap, Universele Liefde.

Ook leerde Fazal mediteren. Om goed te kunnen oefenen zat hij soms uren alleen in de gebedskamer. Hij mocht dan onder geen beding gestoord worden. Ik respecteerde dit ten volste, maar leed al sinds de kindheid aan verstrooidheid. Na het lakken van de kamervloer trek ik voldaan de jas aan om het klaren van de klus met een drankje te gaan vieren, besluit nog even een tijdschrift te pakken en zet vijf stappen de woonkamer in voor ik de zolen voel plakken. Hierdoor kwam het dat ik, toen ik eens op een stille middag zin had om sitar te gaan spelen, de gebedskamer in beende en daar Fazal aantrof, gestrekt op de gevulde mat, beschaafd ronkend. Opeens herkende ik het geluid, waarvan ik op andere middagen had gemeend dat het van de buren kwam. Ik had het er met Yvonne nog over gehad, en die dacht het ook. Of wist ze wel hoe diep haar afgod mediteerde, en bedekte ze hem met de heilige mantel van haar liefde?

Van de gevoelsrelaties in huize F.I. Khan begreep ik nog steeds niets, althans ik begreep niet hoe het kon functioneren zoals ik meende dat het er toe ging. Waarom bleven die twee vrouwen bij hem? Bij deze man die, althans waar ik bij was, niets anders deed dan hen kleineren, diensten afdwingen en verafgoding eisen? Ik kon het ze niet rechtstreeks vragen, maar gaf Yvonne herhaaldelijk voorzetjes om er zelf over te beginnen. Maar steeds ontweek ze het onderwerp, een beetje bangig, alsof er iets onthuld zou kunnen raken dat haar erg zou schaden. Wel keek ze me soms wat kwijnend aan, als een aansporing om het zelf maar te raden.

Spiritueel gezien was Sheikh Fazal een zware aanwezigheid, tot zijn middel in het aardse. De bekende modder waaruit de lotus zich opwerkt naar het licht. Hij leek zijn transformatie tot heilige aan te pakken op typische Amerikaanse wijze, door uitsluitend te werken aan het uiterlijke. Eerst een goed front neerzetten, dan komt de rest vanzelf wel. Om de paar dagen stond er een bijeenkomst met Soefi-ouderlingen of hoge moellahs op het programma. De ene dag gingen we naar de grote Vrijdagsmoskee in Oud-Delhi voor een avond met pontificale redevoeringen, een andere naar een bijeenkomst van Shia"s waarop jonge mannen geleerd werd hoe zich op de feestdagen met maximaal effect de rug te geselen, weer een andere naar de zikr in Nizamuddin-Aulia.

Fazal zat er steeds bij als een vermaakte toerist: "Ik versta geen woord en snap er geen bal van, maar het is toch wel machtig boeiend hoor, zoals die Indiërs zich gedragen." Mogelijk was Fazal hierin oprecht: nu hem eenmaal het leiderschap van een Soefigenootschap in de schoot was gerold, wilde hij als zich ook zo goed mogelijk in het Soefisme en de Islam bekwamen. Dat is plausibel en volstrekt eerzaam. Tegen deze mogelijkheid spreekt, dat hij voortdurend benauwd leek om uit zijn rol te vallen.

Als de vrouwen meemochten, moesten die aan de achterdeur eerst zwaar worden gesluierd - zo zwaar als in Delhi alleen oude weduwen nog rondliepen. Kap op het hoofd met gaasjes voor de ogen en daaraan vast de alles omhullende hoes van vrij hangende stof. Dan ging het hele stel in de donkerblauwe Landrover met getint glas die het hoofdkwartier voor de nieuwe Pir beschikbaar had gesteld. Het zware vehikel, het model Forward-Control dat gewild was bij strijdkrachten, zag er tussen de kwetsbare Ambassadors en vergrijsde Austins uit als een pantserwagen en zo voelde het ook om erin te zitten. Mensen ontweken ons geschrokken - inval van vijandelijke stoottroepen!

In bijeenkomsten liet Fazal mij vaak antwoord geven, althans zijn antwoord vertalen. Ik probeerde steeds loyaal om er het beste van te maken, want hij was tenslotte mijn gastheer. Gelukkig kan de filosofie af met de eenvoudigste woorden. Een enkele keer verfraaide ik Fazal"s tekst, puur uit vakplezier, dat zal hij me vanuit het graf wel vergeven.

Of hij me de rest ook zal vergeven? Zijn laatste woorden tot me wijzen niet in die richting... Mijnerzijds heb ik hem het verlies wel vergeven. Maar ook pas nu, met het schrijven van deze woorden.

 

Op een middag kwam ik terug van een bezoek aan Hayat en trof het gezin van de jonge Sheikh aan midden in de voorbereidingen van een pantagruellaanse maaltijd.

"Er mag zeker niet te weinig zijn," riep Fazal, een peertje testend.

Iqbal en de Duitse zaten in de keuken emmers vol fruitsalade te maken, vijf kookpotten met groenten, een wasteil macaroni en bergen kroketten - een product dat Fazal in Nederland had leren kennen en bij hem zeer in de smaak was gevallen.

Tegen zessen stroomde het huis vol notabelen van de aan de Chisti"s verwante Nizami Orde: de hakim van Nizamuddin-Aulia, gevolgd door het leidende driespan van secretaris, penningmeester en schriftgeleerde, en een paar zonen. De oudere heren in statige gewaden en mutsen van goudbrokaat omwikkeld met een smal wit tulbandje. Ze brachten ook hun vrouwen en jongere kroost. Die zaten apart, bijeengehokt in de gebedskamer die nu als zenana dienst deed, lachend en kwetterend van opwinding over dit vreemde etentje. De tussendeur kon in deze moderne tijden wel open blijven, wat ik betreurde. Het had best nog veel strenger gemogen.

Op Fazal"s verzoek speelde ik voor de bezoekers een kwartiertje sitar. Eigenlijk had hij een meer substantieel programma gewild, maar ik wist dat je de doorsnee Indiër niet te lang moet vermoeien met klassieke muziek. Ze klapten met enthousiasme, vermoedelijk omdat ze het een dolkomische act vonden, een westerling met een sitar. De stemming zat er meteen goed in. Leuk begin van het circus.

Tijdens het serveren van de kroketten ontstond een levendig gesprek tussen de gasten onderling. Ze spraken openlijk over hun gevoelens, erop gerust dat Fazal er geen woord van verstond, en wogen zijn kwaliteiten alsof hij een stuk handelswaar was. De Soefi­leiders hadden kritiek op zijn manieren, die ze als lomp beoordeelden. Omdat Fazal de kleermakerszit nog niet gewend was, strekte hij vaak uit ongemak een been, anderen de voetzool toekerend - een gruwelijk affront. Maar algemeen betoonden ze zich gevleid dat zij tot dit festijn waren genodigd.

"Hij is een heel goed mens," sprak de penningmeester terwijl hij de kruimeltjes paneermeel van zijn duim likte.

"Een wijs man, die weet hoe de wereld in elkaar steekt," zei de secretaris. De wasteil macaroni werd nu naar binnen gedragen.

"En heel rijk," meende de oudste zoon van de schriftgeleerde, die mij eerder had bekend dat hij een scooter begeerde. "Daar kunnen we allemaal van profiteren."

Ook spraken zij met monden vol lof over de inrichting van het moderne huis en de prijs van de schemerlampen en gordijnen zoals zij die schatten. Een van de meest ontluisterende aspecten van het voor spiritueel doorgaande leven in India, is het in de conversatie der ingewijden voortdurend terugkomende woord paisa, dat cent betekent, maar ook algemeen geld, pecunia, poen. Bij tal van kloosterordes, saddhoegroepen en buurtmoskeeën klinkt het als een steeds herhaalde mantra: "Paisa, paisa, paisa..." Dit was zo karakteristiek, het bij kennismaking met nieuwe goeroes, nieuwe gemeenschappen kon dienen als lakmoesproef: hoe vaak viel het woord poen?

In alle kamers zaten mensen op de grond, papieren borden in de hand. Lege borden en ook veel halflege, lagen her en der. Vooral bij de dames was het, vermoedelijk door de kinderen, tot een soort voederen van de dieren verworden. Ze wisten niet hoe de macaroni te eten en vonden het ook niet lekker. Sommige van de kleinere kinderen uitten hun frustratie over het menu door handjes van de al dente gekookte deegwaren door de ruimte te werpen. De druipende fruitsalade vond greteriger aftrek, maar om die van een slap kartonnen bordje te eten bleek voor velen een te grote uitdaging.

Fazal liep zwetend rond, besefte dan opeens dat hij eigenlijk rustig en deftig op de grond moest zitten, plofte neer en zette zijn vrome gezicht op. Ook voor mij werd het nu steeds meer een circus, waar ik me alleen nog maar aan kon overgeven. De zoon van de schriftgeleerde, die Engels sprak, ondervroeg Fazal over zijn Landrover. Die ging daar eerst enthousiast op in, maar versteende opeens toen hij de ogen van zijn hoge bezoekers op zich voelde, en zichzelf over motorvermogen en vierwielaandrijving hoorde oreren.

De sheikh uit Californië keek angstig rond, wensend dat hij het gesprek bliksemsnel naar een hoger plan kon trekken, maar de scooterliefhebber was nog niet bevredigd: "Zit er ook een radio in?"

Sheikh Fazal, die zich nu steeds vaker als Pir Fazal presenteerde omdat dit nog nadrukkelijker een geestelijke leidersrol impliceert, gaf toe dat er een radio in zat. "En een tapedeck," voegde hij er fluisterend aan toe, wetend dat hij het niet moest zeggen, maar gedwongen door onbeheersbare krachten. De oude schriftgeleerde keek hem over zijn bril heen scherp aan.

"Onze gastheer houdt erg van de Indiase klassieke muziek," zei ik om hem te redden. Tenslotte hing mijn status deels af van de zijne. "U weet, Hazrat Inayat Khan, zijn geliefde grootvader, was een belangrijk musicus. Het is erfelijk. Hij kan geen uur zonder muziek."

"Muziek is maar al te vaak een verslaving aan afleiding," viel de secretaris bits in. "Of blijk van lichtzinnigheid. Mohammed"s waarschuwingen hierover zijn niet mis te verstaan."

"Alle muziek die niet Allah"s grootheid bezingt is van de duivel," sprak de schriftgeleerde.

Wat was er gebeurd? Was de fruitsalade niet goed gevallen? Opeens besefte ik: er was geen paan geserveerd. Niemand durfde er natuurlijk om te vragen, maar wie het verslavende spul gewend was - en welke Indiër gunde zich na het eten niet zo"n digestiefje? - zou het wel erg missen. Ik meldde dit aan Fazal, die meteen opsprong om de deur uit te rennen.

"Nee joh, je hoeft het ze alleen maar aan te bieden. Ze zouden zich generen om hier uitgebreid te gaan zitten smakken, maar als je ze het niet aanbiedt vinden ze je een krent."

"Wil een van de heren misschien paan?" vroeg Fazal in het Engels. "Paan iemand, paan?"

"Ja graag!" sprak de secretaris.

"Ja graag!" riep de penningmeester, en ook een paar zonen van de notabelen gaven toe er wel een te lusten. Misschien door het losbandige gevoel onder westerlingen te zijn. Acht paan werd het al met al. Fazal keek me wanhopig aan. Verontschuldigend hief ik de handel ten hemel. Daar ging ik met mijn kennis van land en volk.

"Ik ga ze wel even halen," zei ik. "Er is een stalletje bij Nizamuddin-Aulia."

"Oh, gaat u daar heen?" riep de zoon van de schriftgeleerde uit, "kunt u dan ook een pakje Marlboro meenemen?"

 

Nog twee dagen later at het gezin van Sheikh Fazal, door mij wegens dringende afspraken nu vaak verlaten, voor ontbijt, lunch en diner opgebakken macaroni met vijf verschillende groentes. (De kroketten en emmers fruitsalade waren wèl opgekomen, die eerste vooral dankzij de inzet van ons westerlingen.) Macaroni, macaroni, macaroni, tot de overdaad afval werd.

Maar het doel was bereikt. De leiding van de Nizami Soefi"s was zeer over Fazal te spreken en erkende zijn aanspraken. Nog niet op papier, dat zou nog even moeten duren, maar op persoonlijke titel kon men toch wel zeggen dat hij de baas was. Het verwonderde me niet. Van de magere Hayat, die behalve onkreukbaar en arm ook nog vrouw was, waren ze in al die vijftien jaar nooit een gram dikker geworden.

 

 

De Pir die Geld Kon Verdubbelen

HET WAS VRIJDAGAVOND, voor Muslims de tijd voor inkeer en bezinning, in het geval van Soefi"s voor extase. Ik wilde zelf naar een concert in de binnenstad van sitargrootmeester Vilayat Khan, de andere Vilayat, geen familie. Tegen een uur of negen verschenen de Amir Nawaz Frederick van Palland, en Terence Stamp, allebei gekleed voor de zikr in Nizamuddin. Witte gewaden, haar tot over de schouders, kralensnoeren met een zilveren hanger van het vliegende hart. Ze bleven maar kort, moesten eerst nog wat bidden in het Lodi.

We keuvelden wat over Delhi, gebeurtenissen in Nizamuddin, een nieuw restaurantje om de hoek... Ook lichtten Van Pallandt en Stamp gastheer Fazal voor over gebruiken bij de zikr. Dat je wel mee moest doen, jezelf uiten en kreatief zijn, binnen het grondritme moest blijven. "Het is niet gewoon freaken, Fazal."

Van Pallandt kwam over als een mooie, door het leven verwende jongen, uiterst sensibel, met volle, sensuele lippen. Een man voor wie elke vrouw door de knieën zou gaan, net als Hazrat Inayat Khan. Stamp leek gecast in de rol van sidekick, maar hij bracht die met iets slims waardoor je kon vermoeden dat hij eigenlijk de leider was. Terence Stamp speelde in Modesty Blaise, deels opgenomen in een huis in Amsterdam waarin Ewald en ik een paar jaar eerder met vrienden hadden getript (zie King Acid) en in Meetings with Remarkable Men, gebaseerd op het gelijknamige boek van I.G. Gurdjeff, die uit Armenië naar het Oosten was getrokken om aldaar het Licht te zoeken.

Later hoorde ik van Ewald, die inmiddels was ingewijd in geheimen van een hogere orde, dat Stamp en Van Pallandt samen valse gouden munten verkochten aan Arabische prinsen in Bahrain en Abu Dhabi, bouwend op het feit dat Frederick wereldberoemd en van adel was. Terence Stamp speelde hierbij de rol van vertrouwde secretaris: "Baron van Pallandt werkt wegens zijn spirituele interesses aan een gedeeltelijke liquidatie van zijn erfgoed. Echt in geld geïnteresseerd is hij niet, daar staat hij ver boven. Daardoor is er nu de unieke gelegenheid om om deze eeuwenoude ducaten voor een redelijke prijs te verwerven." Kapitalen haalden ze ermee op, vandaar die suites in het Lodi. Dat was dus - o geruststelling - niet alleen geld van de Soefi gemeenschap.

De meeste tijd zaten de twee met Fazal samen in de gebedskamer, de tussendeur gesloten. Ik ging wat sitar oefenen en hoorde niet eens dat ik niets hoorde. Toen ze de kamer uitkwamen werden ze gevolgd door een wolkje van geconcentreerde spanning dat zich in de woonkamer gretig een uitweg zocht. Ik legde de sitar opzij om geen stempel op het samenzijn te drukken.

"Nee, nee, ga door - wij moeten toch meteen verder. Leuk je ontmoet te hebben, we zien je nog wel. Groeten aan Ewald."

Fazal liet thee aanrukken, we dronken die in stilte, ieder alleen met de eigen gedachten. Wat de zijne waren, werd snel geopenbaard.

"Kom even in de gebedskamer, ik wil even iets met je bespreken en het is niet nodig dat anderen dat horen."

Ik dacht aan iets in ritueels. Dat "anderen" kon immers alleen zijn twee vrouwen betreffen, die in spirituele zaken, zoals Fazal me had uitgelegd, wel een eindje konden meegaan, maar in de diepte....

"Peter, jij had het laatst over je geldzorgen en - "

Ik had Fazal erover verteld als anecdote over dit krankzinnige land waarin wij elke dag moesten zien te overleven. Mijn bank in Amsterdam had reischeques opgestuurd naar Kashmir, aangetekend, zoals ze steeds deden. Maar na twee maanden waren die onbesteld teruggekomen, met een adviesje dat de internationale posterijen geen aangetekende stukken voor Kashmir aannamen, aangezien dit een omstreden gebied was, technisch nog steeds een oorlogszône. Een nieuwe zending naar was onderweg, nu naar Delhi, maar tot dan niet aangekomen. Ik had nog steeds wat geld op zak, al deed het uitgeven ervan steeds meer pijn.

Zelf had Fazal ook geldproblemen, maar die waren meer structureel. Met zijn steeds stukgaande Landrover, twee vrouwen en kinderen, en een liefde voor eten buiten de deur, zat hij elke maand met smart op de cheque uit Genève te wachten - die eigenlijk veel te klein was. "Ze hebben geld zat," zei Fazal, "maar het zijn gewoon krenten."

"De meeste kerken zijn beter in inzamelen dan uitgeven."

"Het is toch te gek, hè," zei Fazal, "dat geld ooit een probleem kan zijn voor een verlichte geest. Een mens moet vrij zijn, onafhankelijk van zulke laag-bij-de-grondse problemen." Daar konden we het over eens zijn, de strijd voor het dagelijks brood heeft nooit veel bijgedragen aan de poëzie, de filosofie, de contemplatie. "Het moet toch mogelijk zijn (Fazal keek me dwingend aan, alsof hij me uit wilde persen) om op korte termijn concreet geld te maken?"

"Het zou mooi zijn."

"Heb jij weleens gehoord van reizigers die hun travellers-cheques zogenaamd kwijt raken en dan nieuwe gaan halen?"

"Dat wordt wel gedaan, ja."

"Makkelijk toch? In één klap je geld verdubbeld. De als vermist opgegeven cheques kun je natuurlijk niet op de bank wisselen, die moet je op de zwarte markt verkopen."

"Krijg je nog een betere prijs ook."

"Lijkt jou dat niks?"

"Hoezo? Ik heb juist vrijwel geen cheques meer."

"We zouden het samen kunnen doen. Ik investeer zeg duizend dollar, we kopen cheques, zetten ze op jouw naam, jij geeft ze als verloren of gestolen op, haalt nieuwe en verkoopt de vermiste in de koperbazaar achter Connaught Circle."

"Blok K?" Dat was waar iedereen heen ging. Zelfs lui van de ambassade.

"Precies. En dan delen we de winst. Fifty-fifty, wat denk je ervan?"

"Waarom doe je het niet in je eentje, dan verdien je twee keer zoveel."

"Nee, dat zou niet goed zijn. Ik in mijn positie... Ik ben hier een naam aan het opbouwen, weet je? Jij bent niemand."

"Bedankt dat je me eraan herinnert."

"Maar zo is het toch? Daarom is het juist interessant om het samen te doen."

"En hoe kom jij aan die duizend dollar?"

"Die kan ik zo uit Genève laten komen, een telegram is genoeg. Ik vertel ze iets over een speciaal project, zorg voor de armen ofzo, ik verzin wel wat."

Verstomd keek ik hem aan. Ik voelde een enorme afschuw, toch voelde ik me gedwongen om door te gaan. Misschien was het alleen de gedachte aan honderden dollars, snel te verdienen. Maar mogelijk was het dat ik hem graag wilde helpen zijn eigen gestalte als heilige verder door het slijk te halen.

We reden samen naar het hoofpostkantoor op Dehi Entally Road en verzonden het telegram aan Genève. In plaats van de armen had Fazal besloten de dargah te begunstigen. Er moest dringend reparatiewerk worden verricht. Toen de ambtenaar de woorden al aan het optellen was onderbrak Fazal hem ruw: "Sorry, ik heb een fout gemaakt. In plaats van duizend moet er twaalfhondervijftig staan. Dat is één woord." Tegen mij: "Als we het toch doen, doen we het goed."

De cheques uit Genève waren drie dagen later al beschikbaar gesteld aan de balie van American Express. Terwijl we in de taxi stapten erheen vroeg ik: "Weet je wel zeker dat je hiermee door wilt gaan, Fazal?"

"Absoluut. Die kut Landrover - ik zit nu weer met een gebroken aandrijfas. Gelukkig een vooras, dus ik kan nog rijden, maar..."

"Je moet het alleen doen als je er een goed gevoel bij hebt."

"Dat ding moet uit Engeland worden ingevlogen. Weet je wat dat kost?"

We stonden samen aan de balie, Fazal als mijn secretaris die me vertelde waar te tekenen.

"Het lijkt mij eigenlijk niet zo cool om hier bij deze zelfde kerels terug te keren met dat verhaal over vermissing," zei ik terwijl ik de getekende cheques in een mapje stopte. "Dat kan misschien beter in Bombay of Calcutta, of nog liever in Kathmandu of Colombo, een ander land."

"Absoluut gelijk in. Als we het doen moeten we het goed doen."

 

 

Grafgreep in Nizamuddin

OP EEN AVOND kwam ik vrij laat thuis. Fazal en zijn vrouwen liepen drukdoend heen en weer, dus poetste ik mijn tanden en trok me terug in de gebedskamer, de tussendeur openlatend. Ik pakte mijn sitar uit de kist, en zat net met een dubbelgevouwen papiertje de speelsnaar te polijsten, toen ik Yvonne en de Duitse zwaar gesluierd naar de achterdeur zag schuiven, de deur naar het achteromstraatje waar de Landrover klaarstond.

Een seconde later verscheen Fazal die rap de deur ontsloot, zich met de klink in de hand even omdraaide en riep: "Tot morgen, Peter! Wij moeten even weg, wacht maar niet op ons!" Hij had iets zwarts en zwaars in de hand dat op een gereedschapskoffertje leek.

Verdomme, waar gingen ze heen? Een of andere voorstelling of ceremonie? Iets extra heiligs midden in de nacht? En waarom mocht ik opeens niet mee?

"Hé Fazal, wat ga je doen?"

"Iets dat ik liever niet overdag doe." Meteen keerde hij zich om en ging naar buiten.

Vragend staarde ik naar het gaasvenstertje van de kleinste gesluierde. Maar na een seconde keerde Iqbal zich af en volgde haar man en bovenvrouw naar buiten. De massiefhouten deur viel met een dreun in het slot. Ik deed wat oefeningen en zette Bihag in, oud en vertrouwd. Na een uurtje spelen zette ik me aan het mediteren, besloot verder te gaan in savasana en viel meteen in slaap. Of ik snurkte blijft onbekend, want er was niemand om het te horen.

Tegen drieën werd ik wakker door het gedaver van de Landrover achter het huis, het dichtvallen van de achterdeur, maar had geen zin om "Welkom thuis" te roepen. Als ze ergens heen gingen waar ik niet mee mocht, en niet eens van mocht weten, ging ik ze niet verwennen met hartelijke wensen. Bovendien bleven Fazal"s laatste woorden doorzeuren: "Iets dat ik liever niet overdag doe" - wat kon het in godsnaam zijn? Iets te doen met de vrouwen misschien? Reiniging na menstruatie? Een speciaal ritueel in de moskee? Toch geen enge dingen?

De slaap overmande me snel weer en de volgende ochtend werd ik pas laat wakker, in een leeg huis. Ik ging de deur uit naar een eethuisje in Nizamuddin, at wat chappati"s met omelet en ging bij Hayat op de koffie. Op de trap hoorde ik al dat het druk was in de flat. Dat was het bij Hayat vaak, omdat ze opbouwwerk deed in de basti, in besturen en committees zat en om te overleven ook nog vertaalwerk deed, dus dacht ik er niets speciaals van.

Hayat rukte de deur van de flat open voor me en keek me fel aan: "Ah ben je daar eindelijk! Nou het is wat moois wat jullie hebben uitgevoerd!"

"Hoezo? Ik heb helemaal niks uitgevoerd. Een beetje studeren enzo en -"

"En vannacht dan? Noem je dat niks?!"

"Hayat, ik heb geen notie waar je het over hebt."

"Was jij er niet bij dan?" Perplex keek ze me aan.

"Wat is er gebeurd Hayat?"

"Dat stuk ellende! Hij heeft vannacht met de Dargah Sharif opengebroken, het poortje versterkt nieuwe planken en ijzeren staven, er nieuwe grendels en sloten opgezet, en een ander bord opgehangen: "Spiritueel opvolger Pir Fazal Inayat Khan"!"

"Godallejezus..."

"Natuurlijk heb ik meteen een slotenmaker besteld! Maar ja, dat is die kluns uit de basti die zijn vrouw ziek is en - "

"Wie staat op het bord als sleutelbewaarder genoemd?"

"Ene Iqbal, ken jij die?"

"Ja, dat is Fazal"s, eh... zeg maar kindermeisje."

"Dus als Pir Vilayat straks naar Delhi komt - hou me vast! - dan moet hij de sleutel gaan halen bij het kindermeisje van zijn neefje?!"

"Ga even zitten, Hayat; denk aan je bloeddruk."

"Even zitten?! Ik denk dat ik liever even - "

Maar ze ging toch zitten en staarde wit van woede naar het portret van haar geliefde Pir-o-Murshid, de bekende foto in halfprofiel waarop hij als een ziener naar het licht kijkt, de bebaarde kin iets geheven, de krullende haren over de schouders spelend.

"Dat hij dit heeft durven doen," zei ze zacht.

Ik vertelde Hayat over mijn bevreemding de vorige avond, Fazal"s woorden aan de achterdeur. Dit plaatste mij ten overvloede weer midden in het huishouden van de grafschenner.

"Over een paar dagen ga ik bij hem weg," zei ik. "Ik ga naar Nepal."

"Nou da"s je geraden ook. Ga maar liever vandaag nog."

"Dat kan moeilijk Hayat, dat weet jij ook wel. En bij jou logeren - "

"Ik heb geen plek, sorry hoor. (Hoewel er niemand anders was.) Kom maar weer eens langs als je terugkomt."

Het zou een half jaar duren voor ze ophield me als medeplichtige te zien, zo niet in de daad, dan toch in morele steun. Ondanks dat verlies heb ik toch iets overgehouden aan deze episode: een grote versterking van mijn afkeer van godsdienst in groepsverband. "Georganiseerde religie" is voor mij een innerlijke tegenspraak - waar gevoelens worden vastgelegd, geïnstitutionaliseerd, verkalken en verdorren ze. Wie God wil kennen moet niet teveel over Hem praten, daar kan alleen maar verwarring uit voortkomen.

In den beginne was de leegte en de vrede. Toen kwam het woord en daarmee het weerwoord. O Heer, laat mij U kennen zonder U te noemen!

 

Toen ik terugkwam op mijn logeeradres zaten ze alledrie in de woonkamer, klaar voor de onvermijdelijke confrontatie.

"Verdomme Fazal, wat heb je nou gedaan, man?"

"Soms moet je ingrijpen in de werkelijkheid om die in overeenstemming te brengen met hogere waarden."

Hogere waarden, ingrijpen in de werkelijkheid? Was dat niet ook Hitler"s traject? En dat van Lenin, Mao en al die andere megalomane gekken?

"Fazal luister, er is toch geen hogere waarde dan de liefde? En met hoeveel liefde heb jij daar gisternacht het breekijzer ter hand genomen?"

Er volgde een lange en kromme rechtvaardiging. Yvonne keek me af en toe aan als een kind dat iets vies in de hoek van de kamer heeft gedaan en hoopt dat het niet gemerkt wordt. Zoveel liefde, voor zo"n moeilijke man - wat een pijn kreeg je dan te verduren. Mijn innerlijke rechter besloot haar ontoerekeningsvatbaar te verklaren. En de Duitse, ach die had het al zo zwaar, die had haar straf al vooruit opgelegd gekregen, levenslang misschien wel.

"Ik vind dit echt een klotenstreek van je, Fazal, ik meen het. En Hayat denkt dat ik ook in het complot zat."

Het is maar goed dat jullie we even uit elkaar gaan," zei Iqbal, de nieuwe sleutelbewaarster.

"Je vliegt vrijdag, is het niet?" vroeg de Duitse. Haar stem klonk geknepen. Spanningen waren er ook zonder mij al genoeg.

"Ja, maar ik ga vandaag al ergens anders logeren, ik ben iemand tegengekomen en - ."

"Zoals je wilt," zei Fazal.

Terwijl ik mijn tas inpakte zag ik door de tussendeur hoe Fazal en Yvonne zich in de keuken afzonderden. Ik sleepte mijn sitarkist richting voordeur en hoorde net een flard: "Fazal, denk je nu echt dat alles zal gaan zoals je gepland hebt?"

Even later zat ik met mijn spullen in een tonga, onzeker waar ik heen zou gaan.

 

Ik vloog inderdaad naar Kathmandu, maar ging nooit naar American Express en leefde van de cheques nog lang en gelukkig. Mogelijk was Fazal"s studie van het Soefisme inmiddels zover gevorderd dat hij zich de treffende woorden van zijn grootvader, Hazrat Inayat Khan, herinnerde. Zelf moest ik er vaak aan denken: "Wie zich laat bedriegen is een sufferd, wie bewust toelaaat dat hij wordt bedrogen is een heilige."

 

Pas vier jaar later, in Nederland, hadden we weer contact. Op een avond, ik weet niet hoe hij aan mijn nummer kwam, belde Fazal me thuis op. Hij was nu als Pir mondiaal aktief en reisde heel wat af, zij het vooral naar kleine zaaltjes.

"Hé Peter, jij hebt nog wat geld van mij, dat wou ik nu weleens hebben."

"Dat was niet van jou Fazal, dat was van het hoofdkwartier in Genève. Zij hebben mij als goede Soefi een studiebeurs gegund voor mijn muziekstudie. Welbesteed, mag ik zeggen."

"Flikker op, joh (hij sprak al goed Nederlands), ik moet ik die poen hebben! Voor de dag ermee of ik kom eens langs om je in mekaar te rammen."

"Vergeet het, Fazal. Ken je Wet van Karma? Zie mij maar als een instrument in de hand Gods."

"Je bent een ontzettende klootzak."

"Zo hebben we allemaal onze rol in het leven. Ik ben echt trots dat ik jouw klootzak mag wezen." Beng, hoorn erop.

 

Het zelfde jaar zag ik eenmaal de andere opvolger, Pir Vilayat Khan. Hij had een voordracht in de Kosmos, een centrum voor zelfgroei in Amsterdam. Ik was laat gekomen en zat op de achterste rij, vlak bij de deur. Op het moment dat de aankondiger het podium opkwam ging die deur open op een kier. Daar stond Fazal"s oom Vilayat, gekleed als een profeet, herkenbaar een zoon van zijn vader, met lange golvende lokken tot over de schouders. Hij had een harmonisch, vriendelijk gezicht, zij het wat zorgelijk, alsof hij bang was voor een parkeerbon.

"En dan is het nu tijd..." zei de spreker met een stem vol drama.

Opeens greep Pir Vilayat Khan onder zijn kleren, bracht een borstel tevoorschijn en haalde die een keer snel door zijn fraai bijgehouden dos. Tja, als je haar maar goed zit. Hij stak de borstel weer weg, rechtte de rug en -

"...om de grote man in ons midden te verwelkomen. Dames en heren hier is - "

Pir Vilayat schreed door het middenpad naar voren. Nog voor de zaaldeur achter hem dicht kon draaien was ik er al uit. Ik weet zeker dat dit een groot verlies voor me is, dat hij, zoals dierbare vrienden me verzekeren, een heel lieve man is en een goed herder voor zijn gemeente; maar de uiterlijke verzorging, zeg maar de showbizz, heeft voor mij in de religie echt afgedaan. O Heer, laat mij U kennen zonder U te noemen!